Voor het snel gerecht.(echt gebeurd !)
Het gebeurde in December 1986 in Macedonië, een arm gebied in het Zuidoosten van het toenmalige Joegoslavië.
Mijn collega Vincent en ik waren samen op weg, allebei geladen met een motorjacht bestemd voor Athene in Griekenland.
We hadden de boten geladen in Noorwegen bij de Fjord fabriek in Arendal en waren wanneer dit verhaal begint al een paar dagen onderweg.
Vanwege onze over breedte werden we begeleid door een ingehuurde Joegoslavische begeleider, wat niet meer of minder betekende dan dat er een stokoude Mercedes voor ons uit reed, uitgerust met een gebrekkig zwaailicht, welke we sinds we in Joegoslavië reden al twee keer voor hem hadden moeten repareren.
De man zou ons door heel Joegoslavië begeleiden tot en met Gevegelja (de Joegoslavisch Griekse grens)
We waren die dag al verschillende keren door de politie aangehouden, maar onze begeleider had het elke keer weer voor elkaar gekregen dat we mochten doorrijden.
Met wat smeergeld en smoesjes kom je daar een heel eind, dus de man deed zijn werk uitstekend. Onze vergunningen deugden namelijk van geen kant.
Tegen de avond begon het te sneeuwen en geloof me dat het daar behoorlijk kon spoken in die uithoek en omdat het begon te vriezen bleef de sneeuw liggen.
Voor de zoveelste keer werden we door de politie aangehouden vlak voor Skopje, maar nu werden we gesommeerd om op de eerstvolgende parkeerplaats te stoppen en te wachten tot de sneeuw was verdwenen, wat betekende dat we er tot de volgende morgen moesten blijven staan.
De politie reed zo ver met ons mee en daar aangekomen bleek dat de parkeerplaats totaal was uitgestorven. Er was zelfs geen restaurant in de wijde omtrek te bekennen, wat ons deed besluiten om zo gauw de politie was vertrokken, weer te gaan rijden om een betere parkeerplaats te zoeken waar we tenminste iets konden eten en drinken.
Het kostte ons nogal wat moeite onze begeleider zo ver te krijgen dat hij akkoord ging.
We beloofden hem dat wij de eventuele bekeuring zouden betalen en toen ging hij, weliswaar schoorvoetend toch akkoord. Hij zou ons op een afstand volgen.
Zo snel als mogelijk was gingen wij op weg, des te eerder zouden we de besneeuwde bergen achter ons kunnen laten.
Eigenlijk hadden we er een beetje op gerekend dat we die avond in Gevegelja zouden aankomen . Vlak over de grens was een pompstation van de 'Shell', met daarbij een uitstekend restaurant en een douche waar we zo langzamerhand wel aan toe waren.
We hadden er automatische sneeuw kettingen onder en dat ging prima, we waren natuurlijk wel wat gewend in Noorwegen, dus dit was voor ons een wassen neus.
Ik ontdekte dat er iemand vlak achter me reed, die vervelend met zijn lichten knipperde. Ik gaf nog wat gas bij en raakte hem op deze manier even kwijt.
Even later zag ik dat hij al knipperend toch weer achter mij zat en begon ik argwaan te krijgen. Misschien wilde de man me wel iets duidelijk maken. Was Vincent misschien achter gebleven, dat hij mij dat wilde laten weten.
Ik besloot de eerst volgende gelegenheid maar even te stoppen. Meteen toen ik die parkeerplaats opreed werd ik ingesloten door twee autootjes en nu pas zag ik de zwaai lichten, welke zo zwak waren en door stuifsneeuw bedekt, dat ik ze in mijn spiegel niet had opgemerkt.
Het waren dus de zelfde agenten die ons even daarvoor aan de kant hadden gezet.
En nu konden we dus onze papieren en paspoort, plus de autosleutels inleveren en zouden we de volgende morgen voor het snelgerecht moeten verschijnen werd ons mede gedeeld. We zouden door een politie wagen worden opgehaald.
De begeleider was diep onder de indruk, maar we wisten hem gerust te stellen.
We besloten ons bed maar op te zoeken, er zat tenslotte weinig anders op.
De volgende morgen om ongeveer half elf stonden er twee Zastavaatjes (autootjes) van de politie naast onze trucks.
De wagens werden afgesloten en we moesten met ze mee rijden. De begeleider mocht zijn eigen wagen nemen en zou als 'tolk' fungeren.
Eerst maar naar een restaurant maakte ik de agent achter het stuur duidelijk. Ik wees op mijn buik en maakte een gebaar dat ik wilde eten en trek had in koffie.
Er werd niet op in gegaan en ik begreep uit de wartaal en gebaren dat we eerst naar de rechter gingen.
Na ongeveer een kwartier over weggetjes te hebben gereden, kwamen we in een klein anoniem stadje terecht wat blijkbaar de plek was waar we vóór moesten komen.
Maar zo snel was dat snelgerecht nou ook weer niet. De agenten parkeerden ons in een lange smalle gang waar je alleen maar kon staan. Er waren geen stoelen of banken en er stonden nog tientallen andere mensen die ons allemaal met argusogen aankeken.
Onze begeleider sprak goed Duits waar we wel erg blij mee waren, ondanks dat hij de hele morgen nog geen woord met ons gewisseld. Ook hier op de gang keek hij droevig naar de groezelige plavuizen, waar je aan kon zien dat ze sinds de laatste wereld oorlog niet meer waren schoon geschrobd.
Ik keek door een even smerig raam naar buiten en zag aan de andere kant van de straat een kiosk waar je volgens mij wat te eten of te drinken kon kopen.
Laten we kijken of we daar iets kunnen halen, stelde ik Vincent voor en meteen maakte aanstalten om te gaan, maar hij hield me tegen.
Dat kan je niet maken man, zo maar weg lopen! Haal nou geen grappen uit want voor je het weet zit je hier achter de tralies. Daar komen we hoogst waarschijnlijk toch wel terecht, maar dan hebben we tenminste wat in ons maag antwoordde ik laconiek..
Doe mij een plezier en wacht nog even antwoordde Vincent, ze zullen ons zo wel naar binnen roepen in één van die vele kamertjes in dit spookhuis.
We stonden er vervolgens nog een half uur en werden toen eindelijk opgehaald door twee andere agenten.
Deze brachten ons door een wirwar van donkere gangen en trappen naar een kamertje.
Daar bevond zich een enorm houten bureau waarachter maar net voor één persoon plaats was Toen wij er met zijn vijven binnen stonden was het hok stijf vol. Het stonk er naar zweet en spruitjes van eergisteren en de inrichting was oud en krakkemikkig, een duidelijk bewijs dat de overheid in deze uithoek straat arm was.
Een politie man in een armzalig burgerpak gestoken begon ons te ondervragen en onze begeleider vertaalde alles.
We hadden besloten om gewoon de waarheid te vertellen zodat we ze niet tegen ons in het harnas zouden jagen en hoopten dat we er met een boete vanaf zouden komen.
De rechercheur in burger begon gelijk te typen op een machine die bij elke aanslag leek te bezwijken. Hij vroeg ons de gebruikelijke vragen zoals: naam, adres, geboorte datum, rijbewijs en paspoort wat overigens allemaal naast hem op het bureau lag, Toen dat ritueel was afgehandeld pakten de agenten alle papieren bij elkaar en werden we nog dieper de catacombe ingeleid.
Onwillekeurig dacht ik bij mijzelf, ik hoop dat ze straks de weg nog terug vinden.
Uiteindelijk kwamen we in een bedompte hal terecht waar we opnieuw moesten wachten.
Uit allerlei deuren in die hal verschenen steeds mensen met lijvige dossiers onder hun arm.
De meeste van hen hadden hun jas los over de schouders hangen zonder de mouwen te gebruiken en ik denk dat het werd gedaan om er een beetje modieuzer uit te zien. Maar die poging werd onmiddellijk weer de kop ingedrukt door de derde hands kleding die er werd gedragen.
Verder gebeurde er weinig opwindends in die bedompte hal.
Ik ontdekte dat er twee deuren waren, waar je blijkbaar je behoefte kon doen.
Ik zag tenminste een jonge vrouw achter zo'n deur vandaan komen die haar garderobe niet helemaal in orde had.
Het zag er aan de voorkant netjes uit, maar toen ze me zonder op of om kijken voorbij schreed, zag ik dat haar rok in haar onderbroekje zat. Ik schoot zonder dat ik het kon helpen in de lach, het zag er ook zó komisch uit dat je me dat niet kwalijk mocht nemen.
Ze keek geïrriteerd om en ik wees op haar rok.
Ze schrok enorm en trok meteen alles recht. Met grote minder elegante stappen en met een hoog rode kleur ging ze een deur binnen.
Ik gniffelde nog wat na en de anderen keken me lachend aan, hoewel Vincent zei: Bruynzeel jij loopt vandaag of morgen nog eens een pak op je donder op, jij hebt altijd wat!!
Niet veel later werd één van ons binnen geroepen en Vincent stond gelijk op om met onze begeleider, tevens tolk, als eerste het recht zaaltje binnen te gaan.
Ik bleef alleen achter in de hal en steeds kwamen er verschillende mensen langs. Ik begon zo langzamerhand de indruk te krijgen dat we als Hollanders een bezienswaardigheid waren daar in die catacombe en dat ze elkaar tipten zodat ze om beurten even konden kijken.
Ook liepen ze de zogenaamde rechtzaal binnen om er even later weer uit te komen, onderwijl mij verwijtende blikken toe werpend. Alleen de Lady in Red heb ik niet meer gezien. Na een kwartier kwam Vincent weer naar buiten en kon ik naar binnen. Hij fluisterde me in het voorbij gaan nog even toe
denk er om je verdient vierhonderd gulden per maand!. Dat heb ik dus ook gezegd en aan de hand daarvan werd de boete bepaald.
Ik kwam in een wat grotere kamer terecht waar twee bureaus met de lange kant tegenover elkaar stonden
Daar achter zaten twee lijvige dames en achter hun stoel stonden er nog twee, niet zó dik, maar Rubens zou er dik tevreden mee zijn geweest.
Op de vensterbank stond een aluminium keteltje met daarin een element om water te verhitten. Ook hier stonk het naar zweet en zoete balletjes parfum.
De dames waren allemaal het zelfde gekapt, ik denk dat het een staats permanentje was. In ieder geval was het geen model wat mij bekent voorkwam, maar misschien zou mijn moeder gezegd hebben, dat háár moeder het in haar jeugd ook zo gedragen had.
De dames droegen gebloemde jurken met een slap gebreid vest er over, ook weer zonder dat de mouwen gebruikt werden.
De dame die rechts zat begon mij vragen te stellen, terwijl ik moest blijven staan. De dame links begon gelijk te typen op een merkwaardig apparaat.
De begeleider vertaalde alles voor mij en voor hun. Er werd mij van alles gevraagd en ik antwoordde naar waarheid. Toen ze uiteindelijk vroeg wat ik verdiende, loog ik haar voor over de vierhonderd gulden.
Ook wilde ze mijn maand lasten weten en uiteindelijk werd de boete omgerekend naar 50 Duitse Marken.
Toen dat gebeurd was, gingen de dames er eens goed voor zitten en werd ik over allerlei andere zaken ondervraagd. Ik mocht gaan zitten, kreeg een kopje thee aangeboden en ze wilden weten wat het één en ander in Holland kostte, hoe de huizen waren en hoe het met onze sociale voorzieningen was.
Ik wilde niet onbeleefd zijn, want wilde zo gauw mogelijk weg nu alles achter de rug was.
Vincent zat in de hal op mij te wachten. Het liep inmiddels al tegen de middag en bovendien verrekte ik nog steeds van de honger.
Of ik de volgende keer nog eens langs wilde komen om een paar pakken koffie te brengen, we zullen er voor betalen werd mij gezegd en
. . oh ja, ook bloembollen voor de tuin zei de rechter, dan zou ik bij haar te gast zijn en kon ik blijven slapen. Toen ze dat zei, gaf zij mij een niet mis te verstane vette knipoog.
Ik beloofde haar dat het allemaal in orde zou komen, in de hoop dat ik weg mocht.
Na bijna een uur daar binnen te hebben gezeten kon ik eindelijk gaan.
Vincent begreep er niets meer van en dacht dat ik het weer verknald had. Maar goed we raakten die dag dus toch nog op weg en reden die avond gelukkig Griekenland binnen, waar we eindelijk heerlijk konden eten en douchen.
Ja en wat was nou de les die ik daaruit getrokken heb?
Al sla je me dood, ik weet het niet. Wat ik wel weet is, dat ik er een leuke herinnering aan heb over gehouden.
Maar verder weet ik het niet
..of het moet zijn dat ze bijzonder aardig waren geweest, wat je helaas niet altijd van een ambtenaar kan zeggen nietwaar !.