Mierenbier Orans. 6 Oktober 1978
Ik herinner mij ineens een voorval van twee jaar geleden. Dat komt omdat ik zo-even zeker een kwartier naar een stelletje mieren heb zitten kijken.
Ze waren maar heen en weer aan het rennen. Ze liepen geen 5 centimeter rechtuit en maar rennen.
Op een gegeven moment liep er één met zijn zurenballetjes gezicht in een plas water.
Ik ontdekte dat hij geen goede zwemmer was. Hij lag daar maar te spartelen en maakte het voor zichzelf volgens mij alleen nog maar erger.
Zijn maatjes trokken zich niets van hem aan en bleven onverdroten heen en weer rennen en lieten hem doodgemoedereerd aan zijn lot over.
Dan zal ik jou maar even helpen dacht ik. Ik plukte een grote grasspriet en stak hem die toe.
Maar in plaats dat de sufferd zich daar aan vast klemde, bleef hij maar rondjes op zijn rug zwemmen.
Toen heb ik hem maar met de grasspriet naar de kant geduwd.
Zo nu kan je weer heen en weer gaan rennen mompelde ik tegen hem.
Maar nee hoor, die gek liep met die zelfde gang opnieuw de plas in.
Oké dacht ik, je wil dus naar de overkant jij je zin. Ik hielp hem daar bij en daar liep hij inderdaad weg van de plas. Bedankt zei ik nog, maar hij haalde zijn kleine natte schoudertjes op en zonder me nog één blik waardig te achten liep hij weg.
Hij sleepte met zijn achterlijfje over de grond en liet een klein nat spoortje achter, ik denk doordat zijn ketelpakje drijfnat was.
Toen ik dat zo zag herinnerde me dat aan een ander voorval waarbij ik ook wat langer bij wat mieren was blijven stilstaan, of eigenlijk zitten.
Het was ongeveer twee jaar geleden en het speelde zich af in Turkije, in het pittoreske plaatsje Ecebat.
Dat plaatsje ligt aan de zee van Marmara. Op die plaats vaart een veerpontje 'de straat van Marmara' over naar het stadje Canakkale. Met helder weer kon je het aan de overkant zien liggen.
Ik moest op die plaats Ecebat dus, een paar dagen blijven wachten omdat het veerpontje waar ik het zo-even over had motor schade had opgelopen en nu voor de wal lag te wachten op onderdelen uit Istanbul. Er voer zolang een andere veerpont, maar die was niet groot genoeg om mij te kunnen laden althans hij was niet hoog genoeg. Er liep in het midden van de veerboot een boog over het laaddek waarop zich de stuurhut van die ballentent bevond en die boog was te laag voor mijn truck met lading (twee motor boten ). Na wat informatie te hebben ingewonnen vond ik uit, dat de onderdelen die moesten komen nog wel een paar dagen op zich zouden laten wachten. Ik had noodgedwongen een paar dagen vrij, dus
tijd genoeg om de omgeving eens aan een nader onderzoek te onderwerpen.
De sprekende mieren.
Eigenlijk was er in dat plaatsje weinig loos. Er bevond zich een theehuis aan het water direct naast de aanlegplaats van de pont. Daar speelde zich het openbare leven hoofdzakelijk af.
Dat bestond onder andere uit een aantal schoen poetsers variërend in leeftijd en er stond een driewielig karretje waar je nootjes kon kopen. Verder liepen er wat van die onvermijdelijke soldaten die de plaatselijke bevolking er doorlopend aan herinnerden wie het er toen (1987) in dat land voor het zeggen hadden.
Luizig uitziende jonge jongens die interesseloos rond doolden en hier en daar wat sigaretten probeerden te bietsen. Kortom, na 5 min had ik het daar wel bekeken.
Ik besloot de omgeving te gaan verkennen, eigenlijk meer uit balorigheid dan werkelijke interesse. Het was behoorlijk warm en dat nodigde ook niet uit tot bovenmatige inspanning.
Ik besloot wat proviand mee te nemen voor onderweg. Proviand was wel een erg groot woord voor de dingen die ik bij me stak.
Eigenlijk belachelijk spul, maar ja ik moest het tenslotte doen met wat ik nog in voorraad had.
Belachelijk om dat het bestond uit een blikje sardienen in tomatensaus, een chocolade reep (puur), een potje zure uitjes en vier blikjes bier. Mijn doel was de berg op te klimmen want dan zou ik een mooi uitzicht hebben over de zee en het dorpje. Ik nam mijn foto toestel mee en ging welgemutst op pad.
Maar toen ik nog maar halverwege de berg was geklommen, had ik alweer spijt van mijn hachelijke onderneming. Ik durfde inmiddels ook niet meer naar beneden, want het bleek veel steiler dan ik had verwacht. Ik moest dus door gaan met klimmen tot ik helemaal boven op de berg was en vandaar een minder steile weg terug zoeken.
Aanvankelijk had ik niet in de gaten gehad dat het zo stijl was, maar toen ik voor het eerst achterom naar beneden keek draaide mijn maag om in mijn lijf. Echt weer wat voor mij hoor dacht ik timide, om mezelf in zo'n stomme situatie te manoeuvreren. Maar ja het was nou eenmaal zo en ging ik eerst even op een uitstekend stuk rots zitten om bij te komen en wat te eten.
Bovendien had ik een behoorlijke droge keel gekregen van de droge hete lucht welke ik, nu ik even zat, trillend omhoog zag komen vanaf de gortdroge bodem.
De krekels zongen het hoogste lied en ik dacht lodderig bij me zelf
. zouden die krekels dat nou in het Turks doen?
De bodem bestond uit rotsen met wat aarde, waar tussen wat stekelige struiken groeiden. Ik begon aan mijn voorraad proviand. Eerst maar die reep chocolade dacht ik, voordat hij helemaal gesmolten is met die warmte. Toen meteen de zure uitjes en de sardientjes er achteraan. Ja ik weet het is belachelijk, maar wel lekker. Ik had gelijk nog meer dorst gekregen en verheugde me al op mijn potje bier. Ik pakte het uit mijn stoffen boodschappen tas en ontdekte dat ze lauwwarm waren.
Dat is natuurlijk geen drinken en ik kreeg daardoor natuurlijk de pest in.
Ik zat teleurgesteld naar de rotsbodem te kijken en ontdekte daar een heel leger grote rode mieren. Deze waren allen druk bezig ergens naar toe te rennen. Er ging een stroom omhoog en er vlak naast kwamen er duizenden ergens van terug. Er liepen dus duidelijk twee wegen, de één ging omhoog en de ander naar beneden. De bodem was gortdroog en ineens dacht ik bij me zelf dat ze best eens trek in een pilsje konden hebben.
Ik goot mijn blikje leeg in het spoor dat omhoog liep, want deze mannen zouden wel het meeste dorst hebben dacht ik.
De mieren rolden onmiddellijk met het vocht mee naar beneden holderdebolder over elkaar heen,
Ook de mieren die omlaag liepen raakte er bij betrokken en rolden ook mee naar beneden. De stroom bier werd steeds breder en alle mieren rolden naar beneden.
Toen was mijn blikje leeg en was ik benieuwd wat er nu zou gebeuren, ik wachtte in spanning af.
Nu de sterke stroom weg was renden ze weliswaar nog wat paniekerig door elkaar heen, maar ik zag duidelijk dat ze bezig waren zich te hergroeperen.
Alleen nu trokken ze allemaal naar boven in de richting van mijn rotsblok en als ik mij niet vergiste, hoorde ik ze zachtjes lallen, of verbeeldde ik me dat maar? Ik luisterde nogmaals goed en ja hoor, boven het gesnerp van de krekels uit, hoorde ik duidelijk dat er gezongen werd.
Niet geheel zuiver maar wel degelijk gezongen. Ik zag nu ook dat sommige mieren zelfs op hun achterpootjes gingen lopen en andere ondersteunden elkaar onder hun okseltjes.
Ik vroeg de grote rode die helemaal vooraan liep en het hardste zong, hé ben je dronken? Deze keek me lodderig aan en schreeuwde hé jongens, daar heb je hem
Ik heb het jullie altijd al gezegd, eens zal hij komen
en zal hij de dorstige laven
.. de grote dorstlesser.
Zien jullie het nou, we hebben al die jaren niet voor niets gebeden
halleluja jutte peren, schreeuwde hij en alle andere riepen hem na in koor halleluja jutte peren, loof de grote dorstlesser die ons na jaren heeft beloond met het hemelse vocht.
Met toenemende verbazing had ik dat alles aangezien en wreef me zelf heftig in de ogen. Verdikkeme zat ik hier nu halverwege die rotberg met een zonnesteek te hallucineren, of hoe zat dat?
Opnieuw keek ik naar beneden en zag hoe de mieren zich allemaal netjes opstelden voor hun leider.
Deze sloeg een paar keer met een klein stokje op een voor hem liggend steentje en zong mi mi mi mi mi.
Daarna keek hij streng naar zijn mieren, schraapte zijn keel, telde tot drie en begon te zingen. Alle mieren vielen onmiddellijk in en ik hoorde zelfs een deel van hen met de tweede stem zingen. Werkelijk prachtig en heel zacht, maar toch goed hoorbaar boven het gesjerp van de krekels uit.
Plotseling hield het gezang op en trad de aanvoerder mier naar voren. Hij keek omhoog en vroeg: vond u het mooi, grote dorstlesser Ik zat nog steeds sprakeloos naar het bizarre tafereeltje te staren en mijn verstand weigerde mijn ogen te geloven. Nou, zeg je nog wat, of ben je je tong verloren schreeuwde de aanvoerder mier.
Ja ja het was prachtig haastte ik me te zeggen, sorry dat ik zo suffig doe maar dit maak ik ook niet elke dag mee, zit ik nou te dromen of hoe zit dat.
Wel nee zei de aanvoerder mier je bent klaar wakker. Maar vertel eens heb je nog meer van dat kostelijke vocht, of was dat van daarnet het enige wat je bij je had, dat mag ik toch niet hopen hé?
Nee nee ik heb nog drie volle blikken bij me antwoordde ik nog steeds suffig, maar wat wilde je daarmee?
Wat we daar mee willen, ha ha wat is dat voor een vraag. Dat zal ik je vertellen wat ik daar mee wil
.. Laat ze hier achter en wij hebben voor meerdere generaties dit hemelse vocht. Het vocht wat ons vrolijk en gelukkig maakt en bovendien ook nog onze dorst lest na een dag hard werken.
Oké stemde ik in, waar wil je ze hebben.
Zet ze daar maar onder die úitstekende rots in de schaduw, daar blijven ze lekker koel en op die plaats kunnen we ze ook goed bewaken. Als je ze dan ook nog voor driekwart wil ingraven scheelt dat ons jaren werk. Ze blijven dan stevig staan en als je dan alleen nog even de lipjes een klein stukje wil lostrekken beloof ik je dat we nog een liedje zullen zingen, halleluja jutte peren en ook alle andere mieren riepen hartstochtelijk halleluja jutte peren.
Ik deed alles wat ze me gevraagd hadden en heb ze toen vriendelijk gegroet. Het extra liedje hoefde van mij niet meer.
Ik was echt volkomen de weg kwijt.
En ik vraag me nog steeds af
..is de combinatie van chocolade, Amsterdamse uitjes in combinatie met sardine in tomaten saus misschien verantwoordelijk voor die zware hallucinatie ( misschien een onbekende drugs soort, weet ik veel)
Of heb ik op die rots zitten slapen en een zonnesteek opgelopen. Ik zal er wel nooit achterkomen
. Maar als ik een stelletje mieren door elkaar nergens naar toe zie rennen, ontkom ik niet aan de gedachten dat ze misschien toch ergens een voorraadje bier hebben staan.
of zeg ik nu weer iets vreemds?