Tussen Zeebrugge en Dover.
Herfst 1985
Die reis reden we met 4 trucks naar de botententoonstelling in Londen.
Alle wagens waren geladen met boten bestemd voor verschillende standhouders in het tentoonstelling gebouw Earls Court, dat midden in Londen ligt.
Dat betekende gedurende de hele reis begeleiding van de politie, vanwege de overbreedte en overlengte.
Het was altijd weer een imponerend gezicht wanneer je zo'n konvooi voorbij zag rijden in een zee van zwaailichten, met er vóór en er achter de begeleidende motoragenten óók met hun blauwe zwaailichten, die af en toe met een rot gang het konvooi voorbij snelden om de kruising vrij te maken.
Aan de grens werden onze agenten vervangen door hun Belgische collega's die ons vervolgens zouden begeleiden tot aan de veerhaven van Zeebrugge.
In Zeebrugge gingen we de ferry op, niet de gewone ferry maar de zogenaamde gifboot van de rederij Siafino.
Deze rederij stond bekend om het vervoer van bijzondere vrachten, zoals gevaarlijke stoffen en ander spul wat op de normale ferry werd geweigerd. Daar hoorden wij ook bij met onze buitenissige afmetingen (lengte breedte hoogte).
Het ferrybootje was niet zo groot en je moest er achteruit oprijden, zodat je er in 'Dover' weer vooruit af kon rijden en geloof me dat is daar echt nodig (maar daarover later meer).
Na de nodige bijna onmogelijke manoeuvres, lukte het ons allemaal zonder schade aan boord te komen. Het bootje was meteen vol en ik reed er als laatste op. In Dover zou ik er dus als eerste af moeten rijden omdat de ferry maar één in -en uitgang had.
Op het bovendek stonden nog wat tankwagens die zo waren neer gezet dat, wanneer er wat zou gebeuren op zee deze meteen over boord geduwd konden worden.
Eenmaal aan boord werden de wagens met een aantal stevige kettingen vast gezet en een beetje 'Engeland vaarder' weet wat dat betekent !
Maar, dacht ik bij mezelf niet janken voor je geslagen wordt. We pakten onze tas en zochten de weg naar boven waar zich een beperkt aantal hutten bevonden.
Ik verheugde me al op een lekkere maaltijd en op mijn kooi want ik had een zware dag achter de rug.
De boot voer gedurende de nacht naar Dover. Er was slechts accommodatie voor 8 personen, die verdeeld waren over twee hutten .
Er konden weliswaar meer vrachtwagens mee, maar dan gingen die chauffeurs met de normale ferry naar Dover en werden dan vanaf die ferry weer met een bus naar de Siafino ferry gebracht, waar ze dan hun vrachtwagen zelf van boord moesten rijden.
Eten deden we in de zogenaamde officiers mess, maar stel je bij dat woord niet te veel voor. Het was een hok van vier bij zes meter, met in het midden een lange rechthoekige tafel. Daaromheen stonden een aantal stoelen en dat was het. Er bevond zich ook een douche aan boord, maar de toestand waarin die verkeerde kon je het best omschrijven als, in verregaande staat van ontbinding verkerend. Daar waagde ik mijn gezondheid niet aan en de andere opvarenden ook niet.
Nadat we onze tassen in de hut hadden achtergelaten spoedden we ons vol verwachting naar de mess.
We namen er plaats op stoelen waar je aan kon zien dat ze al een pittig zeetje hadden meegemaakt.
De tafel was aan de vloer vast gebout, wat er volgens mij op wees dat het hier aan boord aardig kon spoken.
Opeens verscheen er, laten we zeggen een steward in de deuropening. Hij torste een groot dampend gamel tot de rand toe gevuld met spaghetti, die hij met een luide klap vóór ons midden op de tafel plantte. Hij keek ons breed grijnzend aan en zei in onvervalst Frans, mijn naam is Maurice, ik breng jullie het eten en drinken maar
.. verder ben ik onbereikbaar voor jullie en weg was hij weer om even later weer terug te keren met de bolognese plus een mand gevuld met 5 flessen rode wijn. Hij kwam daarna nog één keer terug met een schaaltje geraspte kaas en twee setjes met kruiden en aroma flesjes en weg was hij weer. Inderdaad zagen we hem niet eerder terug dan de volgende morgen bij het ontbijt.
Afrekenen hoefde niet, alles was bij de ferry prijs inbegrepen.
Onze andere vier mede passagiers waren respectievelijk twee Engelsen en twee Ierse chauffeurs. Flinke eters zo te zien, dus was het zaak dat je gelijk genoeg opschepte want een tweede kans zou zich waarschijnlijk niet meer voordoen.
Dat vermoeden werd bijna onmiddellijk bevestigd toen de pan bij de laatste man terecht kwam. Dat was een reusachtige Ier met knalrood haar en zeker een miljoen sproeten op zijn baardige gezicht.
Hij schepte de hele pan leeg en de spaghetti slierten kropen als levende wormen van zijn bord af. De bak met bolognaise werd gewoon omgedraaid en leeg geschraapt. Ook de geraspte kaas waar we allemaal een bescheiden beetje van hadden genomen werd zonder pardon omgekeerd en leeggeschud.
We zaten met verbazing zijn handelingen te bekijken, tot de Ier eindelijk op keek en met een verrassend vriendelijke stem zei eet smakelijk maats
We begonnen inderdaad na deze mededeling aan onze maaltijd, maar waren nog niet halverwege toen de Ier met een luide boer kenbaar maakte dat hij klaar was met eten. Het viel mij op dat de fles rode wijn naast zijn bord ook leeg was, terwijl hij uit een andere fles nog een bel inschonk.
Het eerste stuk vaar je binnendoor, maar tegen de tijd dat we allemaal onze maaltijd op hadden bereikten we de open zee.
Nu we eenmaal buiten voeren merkte je eigenlijk pas, wat voor een notendop het was waar we op zaten.
Ik was wel wat gewend want in de loop van de jaren heb ik bijna alle zeeën in en om Europa bevaren met de meest uiteenlopende ferry's, maar deze wastobbe was wel heel apart. Het was beslist niet overdreven geweest dat de trucks zo goed werden vastgesjord, want ik kreeg de indruk dat we elk moment een koprol zouden maken.
Nou klinkt dat misschien wel overdreven maar geloof me, dat was het zeker niet. We zaten daarboven behoorlijk hoog maar ondanks dat, stortte het buiswater met veel geweld tegen de vierkante patrijspoorten. Ik zag om me heen al verschillende koppies wit wegtrekken en ik durfde er geen eed op te doen dat ik daar zelf ook niet bij was.
Alleen de grote Ier, deze grijnsde vriendelijk naar ons en graaide naar de overige wijn flessen. Jammer als ze stuk vallen of leeglopen verexcuseerde hij zich tegenover niemand in het bijzonder en dronk alle restjes op.
Het schip ging steeds meer stampen en ging naar mijn gevoel ook steeds meer over links hangen. Vragend keek ik de kring rond maar niemand zei iets. Iedereen staarde zwijgend voor zich uit, alleen de Ier zat met een lucifer houtje tussen zijn bruine tanden te pulleken en knikte me vriendelijk toe. Hij leunde met zijn stoel tegen de stalen achterwand terwijl hij zich met zijn voeten klem had gezet tegen de tafel rand. Deze man was werkelijk door niets uit het veld te slaan stelde ik vast, dat was wel duidelijk.
Opeens verscheen er een bemanningslid in de deuropening,
Hij stond daar schijnbaar moeiteloos met gespreide benen en zijn handen in zijn zij.
Bedtijd jongens zei hij vrolijk en ik zag hem met leedvermaak naar onze bleke smoeltjes kijken.
Blijft dit zo, vroeg ik de man met een zelfs voor mij onbekend benauwde stem?
De man lachte vrolijk en antwoordde, ik hoop dat het zo blijft maar ik ben bang van niet. Ik denk zelfs dat het nog erger wordt.
Blijft hij ook de hele reis zo over links hangen vroeg ik met een nog steeds benepen stemmetje.
Bakboord vriend bakboord, dit hier is een schip weet je, al moet ik er aan toevoegen dat er hele volkstammen zijn die bij deze bewering spontaan in de lach schieten, maar voor als nog noem ik dit een schip en dan is links bakboord vergeet dat niet!
Maar om even terug te komen op je vraag van daarnet, ja we blijven gedurende de hele overtocht over bakboord hangen vanwege de zijwind en om je de waarheid te zeggen doet dat mij een genoegen, want de afgelopen nacht hebben we de hele oversteek over stuurboord gehangen. Zo kan ik vannacht weer een beetje rechttrekken ha ha, verder nog vragen?
Niemand leek het grapje te waarderen en zo verdwenen we allemaal met een bleek koppie naar onze hut behalve de Ier, deze liet bij het opstaan niet alleen een harde boer maar liet ter afronding ook nog een harde scheet die ons een ogenblik deed vermoeden dat er iets met het schip aan de hand was. Maar het geruststellende sorry maats van de Ier, stelde ons wat dat betreft weer een beetje gerust.
De reus die ook bij mij in de hut was ingedeeld koos meteen bij binnenkomst het onderste bed aan bakboord en zonder zich verder ergens wat van aan te trekken lag hij nog geen minuut later al te ronken en ik zweer je dat zijn geronk nog luider klonk dan het geluid van de hoofdmotor van die 'wastobbe'.
Zo snel had ik nog nooit iemand in zijn bed zien verdwijnen en in slaap zien tuimelen.
Ik besloot me wat deze reis betrof nergens meer over te verbazen en zeker niet over de Ierse reus.
De bovenste kooi was nog over voor mij, aan stuurboord met het gevolg dat ik tegen de niet zo hoge bedrand aan lag. Ik rolde er door het gestamp bijna meteen weer uit. Daarom zette ik mijzelf klem tussen het achterschot en de bedden plank, zo had ik toch nog wat van de Ier geleerd .
Van slapen kwam die nacht natuurlijk niets en ook de andere passagiers beleefden een slecht nachtje, behalve
.nou je weet wel wie.
's Morgens voeren we ineens in rustig water, maar ja toen waren we alweer een uurtje op ( 'liefdevol' gewekt door Maurice). We hadden ons ontbijt al achter de kiezen en stonden met onze tassen klaar, om door de donkere ingewanden van het schip naar het autodek af te dalen. Dat het nu rustig was betekende dat we tussen de beschermende pieren van de haven van Dover voeren.
We barstten van de slaap behalve de Ier, die was zo fris als een hoentje en keek vrolijk in de het rond.
Hij was vanmorgen de ontbijt tafel wezen plunderen en had zelfs de laatste kruimels van het tafelkleed afgeveegd om ook die nog op te eten.
Nu stond hij vooraan in de rij om als eerste af te dalen in de buik van onze gastgever.
Ik vertelde al dat ik als laatste aan boord was gereden in Zeebrugge.
Dat betekende nu dat ik er als eerste af zou moeten rijden. Dat ging niet zoals bij de normale ferry nee, hier was een tijdelijke oplossing geregeld. Het was een voorlopige afrij mogelijkheid, met de nadruk op voorlopig. De afrit bestond uit een drijvend ponton, welke de ruimte tussen de wal en het schip moest overbruggen. De klep van het schip werd op het ponton neergelaten en het ponton had aan de walzijde ook een klep waarover je omhoog de wal op kon rijden.
Het water was in de haven wel een stuk rustiger dan op zee maar er stond nog steeds een behoorlijke deining.
Toen ik als eerste het ponton opreed met toch wel een beetje angstig gevoel in mijn buik, sloeg dat bijna onmiddellijk om in paniek toen ik tot mijn ontzetting zag dat er een bevestiging kabel van de wal naar de ponton afknapte en met een zwiepende knal los schoot .
Deze vloog als een woeste slang door de lucht, maaide mijn zwaailichten van het dak af en bleef toen boven op mijn cabine liggen.
Ik bevond me op dat moment met de motorwagen al op het ponton terwijl mijn aanhanger nog op de klep stond van de ferry.
Zodoende trok ik met mijn aandrijfas de ponton van de kant, deze zat nog maar aan één kant vast en werd daardoor scheef onder me weg getrokken. Het ponton begon nu gevaarlijk te deinen en ik scheet van angst bijna in mijn broek. Er begon water om mijn banden te spoelen en ik zat van angst mijn stuur fijn te knijpen.
Er uit springen zou nog gevaarlijker zijn dan blijven zitten. Ik had mijn handrem aan getrokken en daarbij trapte ik mijn rempedaal bijna door de vloer, totdat ze van de wal af riepen dat ik mijn remmen los moest laten, anders konden ze vanaf de wal het ponton niet onder de laad klep vandaan trekken.
Over de C.B radio hoorde ik mijn collega's roepen, heb je je zwembroek bij je Ad?
Die beseften niet in wat voor netelige situatie ik me op dat moment bevond.
Vanaf de wal waren ze met man en macht bezig het ponton weer goed te trekken. Ze gebruikten daarbij verschillende ferry trekkers en verdomd na een kwartiertje afzien was het inderdaad zover dat ik opnieuw kon proberen de wal op te rijden. Dit keer ging het goddank goed .
Ik zweerde toen ik eenmaal vaste wal onder mijn wielen had, dat ik nooit meer met die ballentent zou mee varen.
Na de nodige douane formaliteiten welke toen (1985) nogal wat tijd in beslag namen mochten we eindelijk weer gaan rijden
We reden onder politie begeleiding eerst naar de M 25 de ring om Londen en toen dwars door Londen naar 'Earls Court' en geloof me maar wanneer ik zeg dat we bekijks hadden. We waren met twee combinaties en twee trailers, wat betekende dat je midden in Londen een file kon tegenkomen van zes zeiljachten achter elkaar. In de praktijk was dat een wit konvooi met een lengte van meer dan honderd meter. De politie zette de kruisingen en de rotondes af en loodste ons keurig naar onze bestemming, vakwerk zonder meer van deze mannen.
Earls Court is al een zeer oud tentoonstelling gebouw met midden in de grootste hal van het pompeuze gebouw een groot bassin.
Dat bassin werd gedurende de tentoonstelling gebruikt om er kompleet opgetuigde zeilboten in te showen. Dat was natuurlijk prachtig voor het bezoekende publiek, maar om zo'n oud gebouw binnen te rijden met grote boten is een heidens karwei. Maar goed Engeland is een prachtig land alleen een beetje ouderwets, zal ik maar voorzichtig zeggen.
Het lossen in 'Earls Court' ging traag en waar het maar kon, hielpen we elkaar bij het lossen.
Zo moest één van mijn collega's achteruit rijden tot vlak bij de rand van het bassin. Ik hielp hem daarbij door achter de trailer te lopen en aanwijzingen te geven, tot ik met mijn hak tegen de rand van het bassin aanstootte en prompt na wat armgezwaai met een elegante achterwaartse duik in het bassin terecht kwam. Proestend kwam ik weer boven. Gelukkig was het water niet koud, maar het was wel de tweede keer die dag dat ik in het water terecht was gekomen. Nog één keer Ad riepen mijn collega's jolig want drie keer recht is scheepsrecht.
Gelukkig heb je als chauffeur altijd wel een extra verschoninkje bij je ( een enkele Ier daargelaten), dus stond ik even later weer spik en span met netjes gekamd haar klaar voor de strijd.
Die middag om 14.00 uur waren we klaar met lossen en konden we weer vertrekken, allemaal naar een andere bestemming. Alles was goed en schadevrij afgeleverd.
Ik had intussen contact gehad met het thuisfront en gehoord dat er een terugvracht stond in Hamble, dat was een klein plaatsje opzij van Southampton, Ik was daar wel meer geweest met boten uit Denemarken (L.M- motor saeler). Ik begaf me dus op min of meer bekend terrein en stond er die avond al om zes uur.
Nu eerst maar op zoek naar een goed restaurant nam ik me voor. Ik had mijn aanhanger reeds afgekoppeld om me wat mobieler te kunnen verplaatsen,
toen ik een uitgelaten groepje mensen zag aan komen met voorop notabene een goede kennis van mij. Hij zong uit volle borst een 'zeemans' lied en droeg een grote beker in zijn armen. De groep die hem volgde was al net zo uitgelaten aan het zingen.
Toen hij mij herkende stevende hij gelijk op mij af, sloeg me spontaan op mijn schouder en stelde mij voor aan de rest van de crew. Het bleken allemaal zeilers die net de race om het 'Isle of Wight' achter de rug hadden. Ze kwamen zojuist uit hun clubhuis waar ze de beker in ontvangst hadden genomen en zo te zien was dat niet het enige wat ze daar hadden genomen.
Ze waren nu op weg naar hun zeiljacht om daar uitgebreid een zeemans maaltijd te nuttigen met de nodige oorlammen vertelde hij me jolig en ik werd meteen uitgenodigd voor het eten om het feest mee te vieren,
Het kostte niet veel moeite om me over te halen me bij de groep aan te sluiten. Even later zat ik inderdaad aan de wortelen, uien en aardappelen. Niet zoals bij ons door elkaar, maar gescheiden op je bord. Het zal wel een echt zeemansmaal zijn geweest maar ik kende het alleen maar door elkaar als hutspot, maar goed een kniesoor die daar op let.
Ik deed net of het heerlijk was en iedereen was gelukkig.
De sterke verhalen kwamen los en zo werd het voor mij toch nog een verdomd gezellig avondje.
Zo zie je maar weer, je weet in dit beroep nooit precies waar je in verzeild raakt, maar dit was wel erg leuk. Om twaalf uur barstte ik van de slaap, maar ik mocht niet eerder weg dan dat ik eerst een grote kroes koffie gedronken had.
Er dreef een vet vel boven op en ik werd er eerlijk gezegd niet goed van, dus ik moest wat bedenken om die koffie ongezien te laten verdwijnen.
Onder het excuus van even wat frisse lucht happen, klom ik het kajuittrapje half op en goot op een goed moment mijn koffie over de waterkering van het openstaande kajuitdeurtje naar buiten. Zo, dacht ik daar ben ik mooi vanaf.
Toen ik na een minuut of vijf luidruchtig afscheid nam van al die vriendelijke mensen, moest ik tot mijn schrik ontdekken hoe dom ik vijf minuten daarvoor was geweest
Ik stapte in mijn klompen, die ik als een rechtgeaarde schipper boven voor de kajuitdeurtjes had uitgetrokken en ontdekte dat ze vol met koffie stonden.
Dat was dus de derde keer die dag dat ik natte voeten haalde. Ik liet natuurlijk niets merken aan mijn gastheren en liep met een stalen gezicht soppend in de koffie het schip af. Gelukkig was het nogal donker, anders hadden ze het koffie spoor gezien wat ik daar achterliet
De volgende morgen had ik een motor boot geladen met een wat wazig hoofd van de drank van de avond er voor.
En diezelfde avond zat ik al weer op de ferry (een echte ferry), de boot die ik toen had geladen was niet zo breed.
Het stormde nog steeds en toen de steward me na het eten, het door mij bestelde kopje koffie kwam brengen verontschuldigde hij zich.
Je raadt het al hè
voor het voetenbadje!.