Marseille 23 Dec. 1990.
Goede feeën bestaan echt.
Een verdomd lullige plek, de haven van Marseille om er met je truck te wachten op een eventuele terugvracht en vooral als het al 23 December is.
Ik zweer je dat je met de kerstdagen thuis zult zijn, had de planner met zijn hand op zijn hart beloofd, voordat hij mij twee dagen geleden hier naar toe stuurde met een spoed vrachtje.
En ik was daar met mijn beide platpoten in getrapt en nu stond ik hier te wachten op een terugvracht welke waarschijnlijk nooit zou komen.
Met het gevolg dat ik hier tot na de kerst zou moeten wachten, leeg terug zou geen optie zijn.
Het was dus twee dagen voor kerst en verdomd koud.
Ik vroeg mij af wat nu eigenlijk het verschil was tussen de winter in Zuid- Frankrijk en die in Nederland en ik gaf mijzelf bijna gelijk antwoord.
Nu is het in ieder geval een verschil van zo'n 1280 vervloekte kilometers mompelde ik verbitterd.
Ik had net gegeten in een koud ongezellig routiers restaurant en de waard had bijna onmiddellijk nadat ik de laatste hap met tegenzin naar binnen had gewerkt, mijn tafeltje afgeruimd en mij de rekening onder mijn neus gedrukt onderwijl zijn jas aantrekkend .
Deze stille wenk was oorverdovend geweest, dus stond ik twee tellen later op de keien in de kou. Achter mij draaide de uitbater de deur op slot en met een onduidelijke groet verdween de man voor altijd uit mijn leven.
Hier zal wel nooit een smartlap over geschreven worden dacht ik depressief. Besluiteloos liep ik naar mijn 'Scania' die een paar honderd meter verder geparkeerd stond.
Wat moet ik nu in Godsnaam gaan doen dacht ik, naar de kroeg in de stad?
Mijn hoofd stond er niet naar om in mijn cabine te gaan zitten kniezen en op een wondertje te wachten (terugvracht) Ik wist het echt niet ik voelde mij gewoon dood ongelukkig.
In de verte doemde mijn trailer op in de reeds mistig wordende avond. De geel rode lantarens in de haven brandden al en wierpen een spookachtig licht op mijn Scania. Die had nu een heel andere kleur. Vroeger had ik mij daarover al eens verbaasd, maar zoals met alles, was ik daaraan ook weer gewend.
Opeens merkte ik dat ik niet meer alleen liep, ik hoorde duidelijk voetstappen achter mij.
Ik houd niet van geheimzinnig gedoe dus draaide ik me met een ruk om en stond ineens oog in oog met een ongelofelijk vreemd mannetje. Of vreemd, de man was op zijn zachts gezegd typisch gekleed.
Hij droeg een zwarte pandjes jas, met daaronder een grijszwart gestreepte pantalon en daar onder weer echte ouderwetse slobkousen. In zijn hand hield hij een elegante wandelstok met een prachtig bewerkte zilveren knop.
Zijn weelderige zilvergrijze haardos was getooid met een naar mijn mening veel te kleine hoge zijden hoed en juist dat gaf de man een vriendelijke uitstraling .
Mij schoot gelijk de Amsterdamse uitdrukking te binnen van, hè joh ben jij soms uit de poppenkast gevallen, maar ik was eigenlijk zo verbaasd van zijn verschijning dat ik even niets kon uitbrengen. En geloof me, normaal gesproken heb ik daar absoluut geen moeite mee.
Ik moet ongeveer een volle minuut naar hem hebben staan kijken voor het tot mij door drong dat de man iets tegen me zei, ik zag zijn mond tenminste bewegen.
Ik schudde mijn hoofd even flink en luisterde nog eens en verdomd de man sprak tegen mij en nog wel in het Hollands. Nou ja
nu verbaasde ik me werkelijk nergens meer over,
hoe wel?
Ik hakkelde: Pardon meneer ik had u even niet verstaan, ik was even ergens anders, dus hoorde ik niet wat u tegen me zei
De man antwoordde met een prettig beschaafde stem, Geeft niets hoor, ik zag dat u even weg was, maar nu u er weer bent kan ik u het volgende opnieuw mededelen, ik zei tegen u dat ik heb besloten om uw uitnodiging aan te nemen.
Uitnodiging, wat voor uitnodiging?
De man lachte vriendelijk naar mij en antwoordde geduldig, De uitnodiging om mij een diner aan te bieden. Nogmaals die uitnodiging neem ik gaarne aan.
Waar heeft u het over, ik heb u niets aan geboden. Bovendien zie ik u vandaag voor het eerst in mijn leven.
Natuurlijk ziet u mij vandaag voor het eerst in uw leven en gewoonlijk is dit ook de laatste keer. Pas maar op, mijn aanwezigheid is zeer broos, ik kan zo weer verdwijnen als een zeepbel. Toen hij dat zei knipte hij met zijn vingers en sprak vervolgens verder, maar voordat het zo ver is mag u mij een diner aanbieden,
Ik heb honger en geen geld en u heeft géén honger maar wel geld. Nu is het aan u om te beslissen, doet u het of doet u het niet.
Het lijkt wel een quiz, riep ik verwonderd uit.
Het is ook een spel vriend, het spel van het leven! Uw gedrag hier bij de levenden is bepalend voor uw positie straks na dit leven.
Ja zeg hou nu maar op met die sprookjes. Als u echt honger heeft kunt u van mij zonder die onzin ook wel wat te eten krijgen hoor. Daarvoor hoeft u mij geen griezelverhaal op de mouw te spelden.
Kijk vriend dat bedoel ik nou wanneer ik zeg dat ik besloten heb om jouw uitnodiging aan te nemen, eigenlijk was dat alles wat ik van je wilde weten.
En oh ja nog iets
.goede feeën hoeven er niet altijd als een beeldschone vrouw uit te zien, ze bestaan ook in allerlei andere verschijningsvormen. Good bye mijn vriend, het gaat je goed. En als een wegspattende zeepbel verdween hij snel en geruisloos.
Sprakeloos stond ik in de avondmist naar de hemel te kijken. Nooit, nooit zou iemand dit geloven.
Opnieuw hoorde ik iemand achter mij aan komen lopen en voorzichtig draaide ik me om. Het was een medewerker van het bevrachtings kantoor met een telex in zijn hand, een telex uit Holland. Er stond op:
Kom maar leeg terug naar huis
Prettige dagen en goede reis
Toen ik tien minuten later de mistige parkeerplaats af reed, werd ik nagezwaaid door een typisch gekleed klein mannetje. Hij hield zijn wandelstok als afscheids groet omhoog. De zilveren knop schitterde als een ster in de avond nevel en onmiddellijk herinnerde ik me wat hij mij had gezegd
..Goede feeën zien er niet altijd uit als een beeldschone vrouw, mijn vriend
Ik wist nu dat hij gelijk had.