Truckers Latijn
Afl -2                 Juni 2006
Dit keer wat griezelige verhalen uit Engeland
Veel leesplezier.
                                                                     Zuidwest Engeland  herfst 1985.

Het schoenlappers wijsje.  **

De tijd 1600 uur.
De plaats Zuidwest Engeland en om nog wat duidelijker te zijn, ik verplaats me met een snelheid van ongeveer 90 km per uur in een grote truck over de motor high way ( A- 30 ) van Exeter naar Penzance  en ben op weg naar het kleine kustplaatsje St. Ives
Dat klinkt wel Frans maar het ligt wel degelijk in Engeland.
Mijn houten reet zegt me dat ik al uren aan het sturen ben en dat het hoog tijd wordt om de benen te strekken en de andere natuurlijke behoeftes de gelegenheid te geven hun werk te doen, waar al diverse keren een duidelijk signaal voor was afgegeven.
Ik was de afgelopen nacht van de ferry gereden in Sheernes en zat al sinds die tijd achter het stuur.
Wel had ik even stil gestaan bij zo'n gammele caravan om de onvermijdelijke sandwich en de bak lauwe thee te nuttigen maar daar rustte je niet echt van uit. Geen wonder dus dat ik nu nog maar amper uit mijn ogen kon kijken.
Ik besloot dan ook om bij de volgende parkeerplaats te stoppen en een uiltje te knappen. Op het bord langs de A 30 stond het plaatsje Bridestowe aangegeven en ik besloot er daar af te gaan om een rustige parkeerplaats te zoeken.
Nog geen tien minuten later vond ik die en ik stopte de motor tussen het groen. Wat stijf wurmde ik mezelf achter het stuur vandaan en stapte met stramme benen uit de hoge cabine om vervolgens het inmiddels al behoorlijk nijdig geworden vocht de ruimte te geven waar het al een half uur om liep te zeuren.
Vervolgens stapte ik behoorlijk opgelucht de cabine weer in en rol met kleren en al op bed. Bijna meteen viel ik in slaap.

1800 uur
Ineens schrok ik ergens van wakker en ik richtte mij op van mijn bed. Ik zag nog net een luxe auto de parkeerplaats af rijden. Daar ben ik zeker wakker van geworden dacht ik terwijl ik lodderig op de tacho klok keek en zag dat ik ongeveer twee uurtjes had geslapen.
Ik voelde mij koud en kroop rillerig achter het stuur, startte de motor en stapte daarna de wagen weer uit om even een plasje te plegen alvorens op weg te gaan om de laatste 70 mijl af te leggen die mij nog scheidden van mijn losadres.
Nog steeds rillerig mede door het vochtige herfst weer liep ik terug van de onvermijdelijke boom naar mijn cabine, toen mijn aandacht werd getrokken door een grote kartonnen doos die naast de afval bak was geplaatst. Deze stond er nog niet toen ik twee uur geleden mijn blaas had geleegd. Nieuwsgierig zoals een mens nou eenmaal is stapte ik er op af en bekeek de inhoud.
Ik veronderstelde dat deze doos er zo-even was neer gezet door de eigenaren van de weggereden wagen. Wat ik in de doos zag deed een beetje vreemd aan …. Er lagen een heleboel naar mijn mening nog in zeer goede staat verkerende lepels en vorken in met daarbij een aantal grote luxe opscheplepels. Verder taartscheppen, gebakvorkjes en noem het maar op. Zo te zien was het allemaal zwaar verzilverd en er was een sierlijk autogram in gegraveerd. Ik pakte iets van het bestek uit de doos om het wat nauwkeuriger te kunnen bekijken.  Hmmm mompelde ik deze doos neem ik mee, want volgens mij is dat spul geld waard.
Ik zette de doos in mijn cabine, plaatste hem naast mij op de motor kap om verder te kunnen gaan met mijn onderzoek. Ik zag dat er onderin de doos nog wat kleinere dingetjes lagen en onderwierp ook deze aan een nauwkeurig onderzoek. Langzaam kreeg ik een idee wat dit voor spulletjes waren.
Aanvankelijk dacht ik te maken te hebben met een geval van diefstal, maar nu begon ik meer het idee te krijgen, dat het om de persoonlijke bezittingen ging van een oude man. Onderin bevonden zich n.l. wat specifieke gereedschappen welke je ongetwijfeld aan een leder bewerker of een schoen lapper kon toe schrijven, zoals een priem, een kromme zware naald met een oog in het platte kromme gedeelte en ook kleine mesjes die men bij het leer bewerken gebruikt. Er lagen een paar beschimmelde portemonneetjes in en andere nog niet complete werkjes. Volgens mij waren dit de bezittingen van een overleden man en had de familie déze voor hun waardeloze spullen bij de vuilnis gezet. Misschien waren dat inderdaad de mensen die net van de parkeer waren weggereden.
Ik pakte de doos op en plaatste hem voor de bijrijderstoel op de vloer en besloot te gaan rijden. Vanavond vóór ik ging slapen kon ik de doos wel verder uit spitten.
Eerst maar naar mijn los adres rijden mompelde ik en dan wat eten.
Twee en half uur later was het inderdaad zo ver en zette ik nadat ik de binnenverlichting had aangedaan de doos opnieuw op de motorkap om met mijn onderzoek verder te gaan.
Voorzichtig haalde ik hem helemaal leeg. Er kwam een aansteker uit met het opschrift Coronation en er stond een kroon op afgebeeld met daar onder June 1953 aan de andere kant stond een afbeelding van Elizabeth twee in Romeinse cijfers.
Ook lagen er twee brilletjes in, je weet wel van die race fietsjes(ziekenfonds brilletjes), één voor door de week en één voor zondag. Die van Zondag had een gouden montuurtje en die van door de week zat met een pleister aan elkaar.
Ik zette het zondagse brilletje even op en zag gelijk alles wazig. Het waren hele sterke glazen, dus de man moest wel hele goede ogen hebben gehad om daar nog wat doorheen te kunnen zien. Als hij je met dat brilletje had aangekeken moet hij enorme kloot ogen hebben gehad.
Nu viel mijn oog op een fluit. Deze lag helemaal onder in de doos tussen wat kleine rommeltjes. Ik pakte hem op en wreef hem een beetje schoon met de mouw van mijn overhemd. Hij leek mij van zilver, maar op de plaats waar men zijn vingers plaatste, kwam de koper kleur er doorheen. Het was dus een verzilverde fluit met zes gaten. Gerekend vanaf het mondstuk, vier kleine gaten aan de bovenkant en aan de onderkant nog twee grotere. Je kon duidelijk zien dat hij al heel oud moest zijn en tevens zag je dat het mondstuk al verschillende keren gesoldeerd was. Er zat een soort metalen sigarenbandje omheen gesoldeerd waar op stond “Londen made regestered trad mark”. Dit alles met hele kleine lettertjes die ik dankzij het brilletje (wanneer ik dat als vergrootglas gebruikte) kon lezen.
Ik begreep dat het hier om een muziek instrument ging en niet om een stukje speelgoed, daarvoor zag het er een beetje te mooi uit. Ik probeerde er wat geluid uit te krijgen maar dat leek nergens op. Ik besloot alles weer in de doos te doen en in mijn bedje te kruipen, het was tenslotte een zware dag geweest en morgen zou ook de nodige tol van mij eisen.
Ik kleedde me uit en even later lag ik genoeglijk grommend in mijn mandje
Het was tenslotte al oktober en het begon 's avonds al aardig kil te worden ook in mijn cabine. Voor ik er erg in had viel ik in slaap.

Midden in die koude oktober nacht schrok ik wakker. Het was stikdonker in de cabine. Ik lag op mijn rug en staarde naar de onderkant van het bed boven mij. Waar ik wakker van was geworden weet ik niet en wat me een griezelig gevoel bezorgde weet ik ook niet.
Ik richtte mij half op om op de tacho klok te kijken hoe laat het was. Klokslag drie uur zag ik en ik liet me weer terug op mijn bed zakken en weer keek ik naar het bed boven me maar nu alleen met een heftig kloppend hart.
Had ik nou vanuit mijn ooghoek iemand zien zitten op de bijrijderstoel.
Om de één of andere reden durfde ik niet te kijken. Wel keek ik zeer gespannen naar het bed boven mij, maar mijn hoofd weigerde pertinent om zich naar de bijrijderstoel te draaien. Ook mijn ogen verdomden het om ook maar één millimeter die kant op te draaien. Daar lag ik dus als een dood vogeltje naar mijn bovenste bed te staren, terwijl mijn hersenen als een gek te keer gingen. Ik zei tegen mijzelf…. “kijken joh, kijk nou toch dan weet je tenminste zeker of daar wel of niet iemand zit”.
Bijna gelijktijdig dacht ik “er kán daar gewoon niemand zitten want ik weet zeker dat ik alles heb afgesloten voor ik ging slapen. Maar waarom durf je dan niet te kijken als je dat zo zeker weet zei ik tegen mijzelf. Er zat niets anders op, ik moest kijken. Ik kon moeilijk de rest van de nacht klaarwakker omhoog naar het bovenste bed blijven staren. Heel voorzichtig draaide ik mijn hoofd naar links, hoewel mijn ogen mijn hoofd niet volgden. Dit is toch te gek dacht ik en wendde ineens mijn blik naar de bijrijderstoel .
Mijn hart maakte een salto van schrik…. Er zat inderdaad iemand op die stoel. Mijn ogen klauwden zich aan die donkere figuur vast. Nu wist ik het zeker er zat daar een niet zo grote man en hij keek roerloos naar buiten. Mijn adem stokte in mijn keel…. Er zat een man om drie uur 's nachts in mijn cabine en ik lag hier net nog te slapen, wie was die man? Hoe lang zat hij daar al en hoe was hij zo geruisloos binnen gekomen in mijn afgesloten cabine. Ik die altijd beweerde dat ik van elke onnatuurlijke beweging die mijn cabine maakte onmiddellijk wakker werd. Hoe kon het dan in godsnaam dat ik hier niets van had gemerkt heb. Ik dreigde te stikken en realiseerde me ineens dat ik nog steeds mijn adem in hield. Fluitend liet ik mijn adem ontsnappen en gelijk draaide de man zijn hoofd naar mij toe en ik zag twee doffe ogen die naar mij keken. Mijn mond weigerde elke vorm van dienst en ik kon alleen maar ongelovig met mijn hoofd schudden.
De man opende zijn mond en zei met een verrassend zachte stem, “wees maar niet bang ik wil je niet laten schrikken”. Ik kon nog steeds geen woord uitbrengen en bleef de man met mijn ogen op stokkies aan kijken. De man ging met de zelfde zachte stem verder, “ik heb niets kwaads in de zin integendeel, ik zou u echter om een gunst willen vragen. Ik zou graag èèn van mijn voormalige bezittingen willen hebben welke nu in u bezit zijn gekomen op een volkomen eerlijke manier. Begrijp me goed mijn familie heeft mijn bezittingen weggegooid en u had alle recht om deze mee te nemen, vandaar dat ik het nu aan u dien te vragen.
Terwijl de man sprak bleef hij mij aan kijken met die grote donkere ogen en ineens zag ik wat de man zo griezelig maakte, het waren zijn ogen. Ze glommen niet, maar waren fluweelachtig dof en droog als die van een dode. Het was of er zich een koude hand om mijn hart sloot en ik kon geen woord uitbrengen.

De man echter wel en vervolgde met dezelfde onwerkelijke stem zijn betoog.
De fluit die ik als kind van mijn opa heb gekregen was het kostbaarste bezit wat ik op aarde bezat. Het bezorgde vooral in moeilijke tijden de mensen om me heen en ook mijzelf een gelukkig gevoel. Je werd er vrolijk van en het gaf de mensen troost. Mijn hele leven op aarde is hij mijn beste vriend geweest. Meenemen kon ik hem niet, maar eenmaal overleden kreeg ik toestemming om èèn van mijn meest geliefde dingen uit het leven op te halen. De plaats waar deze fluit lag was door mijn nog levende familie leeg gehaald. Als oud vuil hadden ze de fluit weggedaan, vandaar dat u mij nu hier ziet. Nu is mijn vraag aan u en terwijl hij dat zei keek hij mij intens droevig aan, mag ik mijn geliefde fluit als je blieft mee nemen.
Ik voelde dat ik traag 'ja' zat te knikken.
De oude man glimlachte me toe, zijn ogen lachten niet mee. Nooit heb ik zo'n griezelige lach gezien. De man bukte zich en pakte de fluit uit de doos, hij lachte nog eens erg luguber naar mij en weg was hij.
Ik zat nog steeds met verbijstering naar de stoel te kijken. Langzaam draaide ik mijn hoofd terug naar het bovenste bed en toen weer naar de stoel, maar er zat niemand. Opeens begon ik te twijfelen over wat er de afgelopen minuten was gebeurd en of ik het niet allemaal had gedroomd. Ik kroop diep onder de wol en probeerde in slaap te komen. Heel in de verte hoorde ik een leuk melodietje, een wijsje waar je een prettig gevoel van kreeg. ik vroeg me niet af waar het vandaan kwam, maar ondertussen luisterde ik er met een vredig gevoel naar. Ik had het wijsje nog nooit gehoord. Het geluid werd steeds zachter tot ik niets meer hoorde. Toen moet ik met een tevreden gevoel in slaap zijn gevallen
De volgende ochtend werd ik om ongeveer zeven uur wakker ik rekte me tevreden uit en herinnerde me op dat moment helemaal niets. Toen ik even later  mezelf naast de wagen wilde gaan wassen, ontdekte ik dat ik mijn handdoek was vergeten. Ik stapte aan de bijrijders kant de cabine in om deze te pakken en zag de doos op de vloer staan
Ik herinnerde me ineens alles weer en geboeid keek ik in de doos, maar de fluit lag er niet meer in en ook na een tweede keer goed kijken niet! Ik haalde mijn schouders op en mompelde in mezelf, ik zal het wel gedroomd hebben, er zal wel nooit een fluit in de doos hebben gelegen en ik ging verder om mijzelf op te frissen. Even later zat ik weer fris achter het stuur. Eerst even een kaart in de tacho stoppen en automatisch zette ik de radio aan. Er klonk een vrolijk Engels volksliedje uit de luidsprekers wat mij vagelijk bekend voor kwam. Als vanzelf begon ik het mee te neuriën. Toen het liedje was afgelopen sprak de omroeper tot de luisteraars : “Goede morgen luisteraars het zojuist gespeelde schoenlappers wijsje moet u op een aangename manier hebben doen ontwaken. Hier is uw omroeper die u elke morgen weer uit dromenland praat en weer met beide benen terug op aarde brengt”.
Ik knikte onwillekeurig naar de radio, pakte een blikje cola hief het omhoog en zei:
“daar ga je ouwe schoenlapper, jij hebt je fluit maar ik moet nog even verder proost !.”
                                                                                      Engeland
                                                                                      Dover  Juli 1980.

De Duivel greep mis   ++

Direct nadat ik de ferry haven in Dover had verlaten, ongeveer halverwege die klim kwam schijnbaar uit het niets een kiezelsteen dwars door mijn voorraam zetten.
Ik schrok me kapot en zat een seconde lang verstijfd achter het stuur voordat ik met een enorme klap met mijn vuist een gat in het voorraam sloeg. Daarna zat ik als een aapje door het gat naar buiten zit te kijken.
Voor mij reed een zwaar beladen trailer, maar daar kon de kiezel onmogelijk met zo'n enorme snelheid vandaan gekomen zijn.
Maar hoe dan ook, mijn voorraam was aan gort en ik moest een nieuwe hebben.
Erg moeilijk kon dat niet zijn, ik reedd op een Daf 3300 A.T.I. en voor dat type vracht auto was in elk West Europees land wel een raam te krijgen, dus zeker ook hier in Engeland (dacht ik optimistisch)
Bovendien was het hartje zomer en zeven uur in de morgen, kortom tijd genoeg om dit probleem op te lossen.

Na nog ongeveer tien minuten te hebben door gereden zag ik aan de kant van de weg een parkeerplaats.  Daarop stond een caravan, zo'n typisch Engels ding  waar je een bak thee en een sandwich kon kopen voor weinig, met iets onduidelijks er tussen.
Ik zweer je dat ik eens de ene helft van een sandwich tegen de andere helft heb horen roepen toen hij een, zo uit het natte sap gehaalde hamburger op zich af zag komen, “kijk uit maatje, ogen dicht en absorberen maar”,  maar dat even terzijde.

Ik stopte dus bij de caravan en bestelde een mok thee. De nogal fors uit de kluiten gewassen uitbater schonk grijnzend de mok driekwart vol en vulde hem toen ongevraagd tot de rand bij met rauwe melk. Dat was beslist geen wolkje maar eerder een complete donderwolk.
De man sloeg nadat hij de mok met een klap voor mijn neus had gezet zijn behaarde armen over elkaar en zei niet zonder leedvermaak, zo maat hebben we vandaag open huis, terwijl hij naar mijn wagen keek.
Ik keek omhoog naar de man en vroeg hem, weet u hier in de buurt misschien  waar ik een ander voorraam kan kopen?
De man krabde zich bedenkelijk achter het oor en ik zag hem nadenken.  
Toen zei hij, ja ik weet wel wat en het is niet eens zo ver hier vandaan, luister dan zal ik het je uitleggen.
Je gaat hier voorbij de rotonde nog een mijltje of drie door en dan krijg je aan je linker hand een klein zijweggetje. Het is wel een smal weggetje maar je kan er wel rijden.
Na ongeveer vijf mijl krijg je aan de rechterkant een vrachtautosloperij. Let goed op want je rijdt er zo voorbij, het ligt een beetje verstopt achter die grote heg.  Ik bedankte hem en vervolgde mijn weg.

De ingang lag inderdaad verstopt achter een huizen hoge heg, maar mij fopten ze niet. Ik stond nog net op tijd stil, reed een klein stukje achteruit en parkeerde mijn truck zo veel mogelijk aan de kant, sloot de boel af en liep de sloperij op.
Bij de ingang van de sloperij stond een grote kraanwagen. Zo te zien leek het er één uit de tweede wereld oorlog, je kon onder het stof en de vuiligheid nog steeds de camouflage kleuren zien.
Het was een degelijk stukje vakwerk uit de Engelse stal. Ogenschijnlijk onverwoestbaar en zo te zien had hij al een aardige boodschap achter de rug. Ik moest er niet aan denken wat deze wagen in zijn leven allemaal voor ellende had gezien. Deze knaap ging uitsluitend op weg wanneer er een ernstig ongeval had plaats gevonden en dat ging vaak gepaard met veel menselijk leed.
Ik werd wreed in mijn overpeinzingen gestoord toen ik een stem achter mij hoorde. Ik keek geschrokken om.
Achter mij stond een grote grove kerel en aan zijn haar te zien was hij zo zijn bed uitgestapt, zo woest stond dat op zijn kop.
Zijn overhemd hing nog half uit zijn legerbroek. Vragend keek de man mij aan en herhaalde, wat kan ik voor u doen ?.
Zijn stem was in tegenstelling tot zijn uiterlijk vriendelijk.
Ik haalde opgelucht adem en vertelde hem dat ik een voorraam zocht voor mijn DAF 3300. De man nam me bij de arm en leidde me naar een 20 foot zee container die midden op zijn terrein stond.
Kijk eens aan, allerlei soorten voorramen zoek maar uit zei hij.
Ik keek geïnteresseerd naar de grote voorraad ramen en zag zowaar vóór de container een DAF raam staan, precies wat ik nodig had.  Het stond er keurig schoongewassen als het ware op mij te wachten, maar toen ik het wil pakken kwam de man op mij af en zei nadrukkelijk, nee nee deze nou net niet. Deze is gisteravond door iemand klaar gezet. Hij komt hem vanavond ophalen dus laat deze alsjeblieft staan. De man is er tot diep in de nacht naar aan het zoeken  geweest. Vraag me niet waarom want er staan hier nog tientallen van die ramen maar hij wilde persé deze hebben. Bovendien heeft hij mij er vorstelijk voor betaald, dus laat deze alsjeblieft staan.
Ik knikte de man toe en samen gingen we op zoek naar een ander raam. Niet veel later hadden we er weer één te pakken.
Verderop ging een telefoon en de man vloekte geërgerd. Altijd het zelfde, als ik er naast zit dan gaat hij niet en ben ik op de werf dan staat dat kreng niet stil. Hij stapte weg en zei mij: “jij redt je wel even hè. Daar is een kraantje waar je hem eventueel weer als nieuw kan oppoetsen”. Hij liep naar zijn kantoortje bij de ingang van de werf en verdween uit mijn gezicht. Ik poetste het raam netjes op en stapte opnieuw naar de container. Daar ruilde ik in een onverklaarbare impuls mijn raam om met die van de nachtelijke bezoeker. Ik keek om mij heen, maar ik zag niets wat er op wees dat de man het omruilen had opgemerkt
Ik begaf me met het voorraam naar het kantoortje en nog geen kwartier later zat het raam er al in. De prijs viel erg mee en even later was ik weer fluitend op weg naar mijn laad adres. Het laden ging ook voorspoedig en zelfs de terug reis naar de ferry ging van een leien dakje. In de ferry haven aan gekomen bleek het zo druk te zijn met boekingen dat ik op de wachtlijst werd geplaatst en zou het pas middernacht zijn voor ik naar Oostende kon varen ,
Ik besloot eerst wat te eten in het ferry restaurant en daarna nog wat te gaan lezen in de cabine. Wanneer ik na een stevige maaltijd bij mijn cabine arriveer  is het al bijna donker.
Ik stapte in en pakte een goed boek. Zo nu even lekker uitzakken zei ik tegen mij zelf. Onderwijl ik dat zei, deed ik mijn binnen verlichting aan… en van af dat moment volgden de gebeurtenissen elkaar in een snel tempo op.
Nu ik de verlichting aan had en het buiten inmiddels donker was geworden werkte mijn voorraam als een spiegel. Iedere chauffeur weet dat en het is ook niets bijzonders. Ik sloeg mijn boek open en wilde gaan lezen, maar ik merkte bijna onmiddellijk dat er iets niet in orde was, ik wist alleen niet wat het was, maar ik had zo maar het gevoel dat ik niet alleen in mijn cabine zat. Onwillekeurig keek ik achter me op het bed, maar daar was niemand. Onzin dacht ik bij mezelf, ik had de truck toen ik ging eten goed afgesloten, dus nu even geen onzin.
Maar ineens zag ik wat er aan de hand was. Het was te gek voor woorden maar ik meende daarnet zo zijdelinks een kerel in het spiegelbeeld van mijn voorraam te zien, aan de bijrijders kant!
En dat kon niet, want er zat niemand op mijn bijrijderstoel!!
Heel langzaam draaide ik mijn hoofd in de richting van het spiegelbeeld en mijn hart maakte van schrik een salto. Ik zag daar verdomme echt een kerel in mijn voorraam zitten, hoe kon dat nou in hemelsnaam. Ik schudde mijn hoofd om te zien of ik wel wakker was, maar de man bleef daar doodgemoedereerd zitten en keek mij heel droevig aan.
Geboeid werd mijn blik door de verschijning vast gehouden. De wildste gedachten vlogen door mijn geteisterde geest, maar geen van deze gedachten leidde tot een logische verklaring. Ik deed de binnenverlichting uit en keek opnieuw naar de plaats van de verschijning, gelukkig was hij weg. Even zat ik in gedachten, maar deed toen toch de binnen verlichting weer aan en daar was de man weer.  Ik sprong uit mijn cabine en liep naar voren. Ik bekeek mijn raam maar kon niets vreemds ontdekken. Toen ik weer ingestapt was zag ik dat de man nog steeds in het raam was te zien. Nu leek het zelfs of hij me smekend aan zat te kijken. Ik raakte hierdoor zo verward en wist niet wat ik moest doen. Ik deed de binnen verlichting weer uit en zat wezenloos voor me uit te staren, toen ik ineens merkte dat er een grote donkere auto naast me stopte.
Onwillekeurig deed ik de binnenverlichting weer aan en bijna onmiddellijk stapte er een man uit de grote zwarte auto. Hij liep naar de achterkant van de auto, opende zijn enorme kofferbak en pakte er een vooraam van een “Daf”wagen  uit en liep er mee naar mijn cabine. Ik draaide mijn raampje open en keek de man in zijn gezicht.
Mijn nekharen gingen recht overeind staan. Deze man was niet van deze wereld wist ik nu ineens heel zeker. Zijn huid was glazig wit en zijn ogen waren zo zwart als zwarte parels met de zelfde griezelige glans. De man keek mij strak aan en zei met een van woede doortrokken stem, ik kom mijn gestolen raam omruilen. Ik keek de man niet begrijpend aan en nogmaals zei de man met een griezelig ijzige stem, “ hier met dat raam verdomme, anders kom jij in grote moeilijk heden, met mij valt niet te spotten” .
Ik zat de man nog steeds ongelovig aan te kijken en begreep dat er nu toch wel wat moest gebeuren.  Ik vroeg hem dan ook, hoezo omruilen wie bent u eigenlijk en hoe wilde u dat gaan doen,
Laat dat maar aan mij over siste de man, u hoeft alleen maar toestemming te geven de rest regel ik wel.
Opnieuw liepen de rillingen over mijn rug bij het horen van zijn stem en het zien van zijn verschijning en voor ik zelf wist wat ik deed zei ik ineens, ik ruil niets met u om. Dit ruit bevalt mij prima en wat mij betreft mag u weer net zo geruisloos vertrekken als dat u bent gekomen. Onderwijl ik dat zei had ik er al  weer spijt van en voelde ik mijn hart in mijn keel bonzen.
Het gezicht van de man vertrok zich in een duivels masker. Mijn hart dreigde uit mijn lijf te springen en ik draaide impulsief mijn raam dicht en keek gelijk naar het spiegelbeeld. De man in het voorraam keek mij smekend aan en ik zag hem langzaam nee knikken. Ik zag dat de man doodsbang was en er rolden tranen over zijn wangen. Ineens nam ik een besluit en draaide mijn zij raam weer open. Ik schreeuwde zo hard ik kon, “u krijgt niets, nu niet en nooit niet” Ik greep de massieve krikstang die ik altijd voor noodgevallen naast mijn stoel had liggen en ramde deze met één woeste zwaai dwars door het voorraam. Deze knalde met een enorm geraas in duizend stukje en viel als in een vertraagde film voorover uit zijn sponningen op de parkeerplaats.  Voor mijn truck lagen duizenden stukjes glas.
De duivel naast de auto gaf een langgerekte gruwelijke schreeuw en verdween net zo plotseling als hij gekomen was.
Ik zat als versteend op mijn stoel met een bebloede hand waarin ik nog steeds zo hard in de stalen staaf kneep, dat mijn hand er pijn van deed. Na een paar minuten kwam ik op verhaal en stapte ik uit de wagen om de ravage te overzien. Peinzend stond ik naar de duizenden stukjes glas op het asfalt voor mijn truck te kijken toen ik iets eigenaardigs ontdekte
De stukjes glas bewogen zachtjes en weken uit elkaar.
Ze vormden zo de duidelijke boodschap:  
                                       T H A N K S   M A A T  

Ik weet dat het gek klinkt maar dit maakte het dubbel en dwars waard dat ik mijn voorraam was verloren plus alle ellende,
En ik mompelde nu het gevaar achter de rug was: “wat een lul van een duivel, hij had toch minstens dat andere raam voor me kunnen achterlaten, maar in mijn hart wist ik dat ik ook dat raam voor geen goud had willen hebben.

BRRRRRRRRRRRR nee geef mijn portie maar aan Fikkie.
                                                                                     Portsmouth Juli 1988.
Ontmoeting met het verleden

Vrijdag avond 1900 uur Portsmouth (GB)

Ik stond geladen in de ferry haven in Portsmouth en had zojuist van de scheeps agent gehoord dat ik geen schijn van kans had deze avond nog met de ferry mee te kunnen naar Cherbourg. Dat betekende wachten tot de andere dag, dan vertrok de volgende ferry om 12 uur.
Ik had dus de keus, of na het eten de avond door te brengen in de plaatselijke pub of in mijn truck wat te lezen of te schrijven.
Eerlijk gezegd had ik daar allebei geen zin in en lag ik op mijn stuur leunend wat naar buiten te kijken en me te bedenken wat ik nog meer zou kunnen doen om de verloren tijd nuttig in te vullen.
Ik ging in mijn gedachten na wat ik zoal wist over deze omgeving. In het verleden was ik al verschillende keren de stad in geweest en dat was de eerste keer wel interessant geweest, maar na een keer of wat heb je het daar dan ook wel weer gezien, tenzij je een onverbeterlijke kroegloper bent. In zo'n geval voel je je overal thuis waar een kroeg in de buurt is.
Ik hield er echter van om even verder te kijken dan mijn neus lang was, maar dat kon wel eens verkeerd uitpakken en dat was precies wat er deze keer ook gebeurde.  Het begon zo:
                                    -De schepen sloperij-
Wanneer je van de A3 af komt van Londen af gerekend, krijg je voor Portsmouth nog een klein stukje 'motor way' ongeveer twee mijl lang.
Wanneer je dan vlak voor de stadsgrens naar links keek, dan zag je daar aan de overkant van het water een oude oorlog schepen sloperij.
Ik was daar verschillende keren langs gereden en elke keer weer dacht ik bij me zelf, wanneer ik een keer tijd over heb en ik sta in de buurt dan ga ik daar          's avonds eens kijken of ik die schepen stiekem van binnen kan gaan bekijken.
Het zal wel een tik van mij zijn maar ik word naar dat soort schepen toe getrokken als een vrouw naar de tax free shop.
Maar laat ik bij de les blijven, ik herinnerde me ineens deze werf en even later was ik al bezig mijn trailer af te koppelen, want deze mocht het douane terrein niet meer af. Met de enkele trekker mocht dat natuurlijk wel en zo reed ik even later het douane terrein af op weg naar de sloperij.
Ik realiseerde me wel degelijk dat wat ik van plan was niet helemaal legaal was, maar ik zag het niet als een misdaad dus had ik er ook geen schuldig gevoel over. Tenslotte waren het oude oorlog schepen dus van spionage was geen sprake. Stel je voor dat ik daar op die werf gesnapt zou worden door èèn of andere bewaker, dan zou ik hooguit een schrobbering krijgen omdat ik mij op privé terrein bevond maar daar zat ik niet mee. Mijn nieuwsgierigheid was sterker dan dat kleine eventuele ongerief.
Het was van af de ferry haven ongeveer tien minuten rijden en na even zoeken vond ik een plek dicht naast de muur die de werf van de buitenwereld scheidde. Door de truck vlak langs de muur te plaatsen kon ik via het dak van de truck op de muur klimmen. Direct achter de muur bevond zich een roestige constructie die ik als opstap kon gebruiken en even later stond ik in gebukte houding op de werf. Tot zo ver ging alles goed en ik vroeg me af of er überhaupt wel bewaking was op de werf, maar ik hield er in ieder geval rekening mee.
Na een gebukte sluipgang kwam ik terecht aan de water kant waar de voor mij zo geheimzinnige schepen lagen. Het waren verschillende oude mijnen vegers dat kon je zien aan hun houten huid, maar wat mij het meest intrigeerde dat waren de twee duikboten. Deze lagen met hun onderste helft in het slik weggezakt een beetje scheef met de boeg schuin omhoog alsof ze een laatste poging forceerden om zich uit de moordende greep van de modder te bevrijden.
Het was een macaber gezicht hoe ze zich aftekenden tegen de roodroze avond hemel en een laatste gevecht aangingen tegen de vergankelijkheid. De eens zo trotse schepen was het niet gegund om strijdend ten onder te gaan maar zouden hier op een achteraf werfje creperen.
Ze moesten hier al minstens een halve eeuw liggen en ik vermoedde dat de slopers hadden gedacht, het slopen van deze schepen gaat ons meer kosten dan wat ze ons kunnen op leveren, dus we laten ze daar maar weg roesten dat is verre weg het goedkoopste, uiteraard nadat ze het waardevolle materiaal er uit gesloopt hadden.
Eens had een trotse bevelvoerder voor het eerst zijn bevelen gegeven vanaf de indrukwekkende brug en hadden de even trotse bemannings leden hier aan boord gelachen en gehuild. De wanden van dit schip had meer angst zweet geabsorbeerd dan een spons aan vocht kon bevatten.
En ook aan de buiten kant kon je zien dat het schip de nodige littekens had opgelopen in zijn ongetwijfeld turbolente bestaan. Dat was na zoveel jaren van verval nog steeds duidelijk zichtbaar.
Dit alles spookte door mijn hoofd toen ik vanaf de wal kant naar de onderzeeërs stond te kijken ,
Ik besloot de stap te wagen en begaf me op weg naar de gammele loopplank die de wal met het schip verbond. Deze veerde aardig door en maakte wat protesterende geluiden toen ik me met mijn volle gewicht in het midden er van bevond.  Ik keek geschrokken om me heen, maar zag nergens enige beweging en begaf me tóch wel met een kloppend hart, verder met mijn onderzoek.
Een ondefinieerbaar gevoel maakte zich van mij meester vanaf het moment dat ik een voet aan boord had gezet. Ik keek nogmaals schichtig om me heen maar ik zag niemand. Ik probeerde het onaangename gevoel te onderdrukken en liep over het voordek in de richting van de omhoog rijzende brug in het midden van de boot. Ik was door deze toren zo gefascineerd dat ik niet oplette waar ik liep en prompt struikelde over een stel uitstekende bouten die uit het dek omhoog staken. Dit waren zonder twijfel de bevestiging bouten van het voormalige boord kanon wist ik haast zeker, onderwijl ik me maar net staande kon houden door twee grote stappen naar voren te doen.
Geschrokken keek ik opnieuw om me heen en ik begon hoe langer hoe meer te geloven dat ik alleen op de werf was.
Alles zag er rustig uit en ik zette, weliswaar met een zere grote teen mijn speurtocht voort.
Aan de achter kant van de toren kon je met hand en voetsteunen omhoog de toren in klimmen. Vanaf die plaats kon je door iemand die op wacht stond van af de werf niet gezien worden, maar vanaf de A 30 zou je mij eventueel wel kunnen zien. Het was inmiddels een uur of acht geworden en op de motor way al aardig rustig. Even later stond ik boven op de commando toren en opnieuw bekroop mij dat onaangename gevoel. Het was net of ik mij op een heilige plaats bevond waar alleen een hogepriester mocht komen of zoiets. Ik weet dat het gek klinkt maar ja zo voelde het aan. Ik kreeg ook de onbedwingbare neiging om hardop te gaan praten en deed dat dan ook onmiddellijk.
Sloof je niet zo uit man zei ik hard op, er is hier toch niets aan de hand. Je staat hier op een stuk oud roest je nieuwsgierigheid te bevredigen, dus laat je fantasie nu even met rust en ga rustig door met waar je mee bezig bent. Deze nuchtere vaststelling bracht mij weer terug in de werkelijkheid en ik ging moedig verder met mijn onderzoek.
De grote deksel die toegang verschafte tot het inwendige van de duikboot stond wagenwijd open en  je kon vandaar uit in een gapend donker gat in de diepte kijken. Heel even was ik daar verbaasd over, maar toen realiseerde ik me dat een duikboot geen patrijspoorten bezat, wat nu? Ik had in mijn truck wel een staaflantaarn liggen maar ik had nu ik zo ver was gekomen geen zin, om weer helemaal terug te gaan om deze te halen.
Laat ik eerst maar even afdalen dan kan ik beneden zien of het echt zo donker is, wellicht is het zo dat wanneer mijn ogen zich hebben aangepast het wel meevalt met de duisternis .
Ik klom achterwaarts de toren in langs een metalen trap. Ik had wel eens in films gezien hoe de bemanningsleden langs zo'n trap heel snel naar beneden waren gegleden wanneer ze snel moesten duiken en ik realiseerde me dat alles in het leven er vaak veel eenvoudiger uit zag dan dat het in werkelijkheid was. De toren was aan de binnen kant voor mijn gevoel veel hoger dan dat hij er van buiten uitzag en dat is ook iets wat je je als leek niet realiseerde. Ik passeerde onder weg naar het eerste dek opnieuw een luik en wanneer je van boven in één keer naar beneden klom was dat een behoorlijke hoogte.
Beneden gekomen viel het mij meteen op dat er verderop in het schip licht naar binnen scheen vanaf de buitenkant. Nieuwsgierig liep ik er heen en zag dat er een groot gat was uitgesneden. Hoogst waarschijnlijk om de wat grotere waardevolle onderdelen er uit te slopen. Het schip was vóór zijn definitieve einde nog even van zijn vitale delen beroofd.
Men zegt wel eens dat een schip een ziel heeft, maar daar wordt na jarenlange trouwe dienst door de slopers geen rekening mee gehouden, maar toch….
Dit zag er in ieder geval van binnen nog droeviger uit dan aan de buitenkant
Maar wat had ik dan verwacht en ik begon weer hard op te praten en zei;
“Ja jongen we leven in een keiharde wereld en dat jij er aan mee geholpen hebt dat we nu in vrede kunnen leven, daar wordt nu al lang geen rekening meer mee gehouden. Je bent nu niets meer dan een stuk oud roest, slecht voor het milieu en ze laten je net zo lang liggen totdat je compleet bent opgelost door je vroegere partner, de zee”.
Ik ging op de water kering zitten van een deur van het water dichte
tussenschot. Heel in de verte hoorde ik een wagen langs komen over de high way.
Ik keek nadenkend met mijn hoofd in de handen naar de ijzeren vloer die hier binnen wonder boven wonder nog klokgaaf was. Misschien blijft deze ruimte met vloed wel droog en gelijk tijdig dacht ik, ja…. dat moet wel anders was alles hier toch stijf verroest geweest. Ik stond op en ging verder met mijn zoektocht.
Hier onder moet volgens mij nog minstens een verdieping zijn dacht ik, laat ik daar ook eens een kijkje gaan nemen. Ik zocht naar een luik en vond er één vlak onder de toren. Het stond open en ik klauterde voorzichtig naar beneden. Hier was het behoorlijk donker. Direct onder het luik viel het echter wel mee. Het rook hier sterk naar zeewier en er zaten allerlei soorten kleine zeediertjes tegen de wand en onder mijn schoenen hoorde ik ze knarsen. Dat deel van de wand waar ze zaten, daar kon je precies aan zien tot hoe hoog het water hier stond met vloed.
Ik voelde ineens met zekerheid dat ik niet meer alleen aan boord was en dat zelfde onaangename gevoel in mijn buik kwam nu wel heel sterk opzetten. Ik wilde zo snel mogelijk van dit schip af, er klopte iets niet en ik wist absoluut niet wat het was,
Ik wist in ieder geval wel dat ik moest maken dat ik weg kwam.
Ik draaide mij om naar de stalen ladder om zo snel mogelijk omhoog te klimmen en …… daar stond hij!!!!
Mijn  hart sloeg een keer over van schrik…Aan de ander kant van de ladder stond een man. Zijn huid was als grijs crêpe papier en op de plaats van zijn ogen zaten twee gitzwarte bollen, zijn mond was één dunne streep.
Hij droeg een onberispelijk uniform met sterren en strepen. Om zijn nek droeg hij een zilveren ketting met daaraan een chromen fluit. Hij keek mij recht in mijn gezicht en vroeg, wie heeft u toestemming gegeven aan boord te komen.
Ik moest me aan de stalen ladder vast grijpen om niet tegen de vloer te klappen. Mijn verstand weigerde om wat mijn ogen zagen te accepteren en daarom kon ik geen woord uitbrengen.
Het duurde nog ongeveer een volle minuut voordat ik weer in staat was een geluid voort te brengen. Ik keek de verschijning nog eens goed aan en stotterde toen… wie bent u?.
Ik geloof niet dat ik tegenover u een verklaring hoef af te leggen aangaande mijn aanwezigheid hier aan boord.
Maar ik zal ondanks dat toch maar even vertellen, dat u hier tegenover de gezagvoerder staat van deze zeebodem!.
Opnieuw weigerde mijn stem mij te gehoorzamen en kon ik de verschijning alleen maar hulpeloos aanstaren. Ik voelde mijn hart daarbij zo te keer gaan dat ik elk moment verwachtte dat hij mij daar vermanend over zou aanspreken.
De verschijning liep nu dwars door de trap op mij toe. Onwillekeurig deed ik een stap achteruit en hield mijn armen  beschermend opgeheven.
Wees voor mij maar niet bang sprak de verschijning geruststellend. Ik kom dan wel van de andere zijde, maar van mij heeft u niets te vrezen. Ons contact is louter fysiek, u kunt mij horen en zien maar verder is er geen contact mogelijk.
Ik keek hem nog steeds ontzet aan en vroeg hem nu met schorre onzekere stem,
wat doet u hier aan deze kant als u beweert van de andere kant te zijn?
De man keek me droevig aan en antwoordde, ik waak hier bij de stervende ziel van dit schip. De levenden hadden het nooit op zo'n afschuwelijke manier mogen laten lijden na al de jaren van trouwe dienst.
De levenden hadden haar op een eervolle manier moeten ontmantelen zonder haar in haar trots te krenken, dat heeft dit schip meer dan verdiend.
Ik hoorde dit alles met verbijstering aan en waagde hem te vragen, dus een schip heeft echt een ziel?
Jawel vriend alle dingen die met veel liefde voor het vak worden gemaakt krijgen van hun makers een deel van hun ziel mee en de ziel van dit schip heeft zoveel moeten doorstaan in haar woelige bestaan, dat het godslasterlijk is om nu zo minderwaardig met haar om te springen.
Vandaar dat ik haar nu bij sta in haar laatste strijd tegen de elementen, het water de wind en vooral het zout. Deze elementen zorgen er voor dat ze langzaam op lost. Een tergend lang sterf proces welke plaats vindt nadat ze eerst nog even de vitale delen uit haar binnenste hebben geplunderd. Ik dacht dat dat reden genoeg was als oud gezagvoerder om naar haar terug te keren van gene zijde, om haar bij het bijvoorbaat verloren gevecht bij te staan.
Het begon mij langzaam duidelijk te worden waar ik hier getuigen van was en al kwam mij alles onwerkelijk voor, toch leek alles op een bepaalde manier logisch.
Wat zou er moeten gebeuren om hier een eind aan te maken en is het überhaupt mogelijk dit lijden vroegtijdig te beëindigen vroeg ik de man?
Dat ligt helaas niet in mijn macht antwoordde de man droevig. Ik kan in de staat waarin ik nu verkeer alleen maar hopen dat ik ooit iemand zal ontmoeten die bereid is mijn laatste orders op te volgen.
Hij keek me nu even zwijgend aan en vervolgde met: het zit namelijk zo, de ziel van het schip krijgt pas dán zijn rust, wanneer het technisch gesproken geen schip meer genoemd kan worden, met andere woorden het mag niet meer als zo danig te herkennen zijn en dat kan in de situatie waarin het nu verkeert alleen nog maar door het restant er van op te blazen.
En wel zo grondig dat er daarna geen schip meer uit op te maken valt!!
Wanneer ik iemand vind die daartoe bereid is, zal niet alleen de ziel van het schip eindelijk rust vinden, maar ik zal dan ook eindelijk van mijn droevige taak verlost zijn.
U voelt nu mijn vraag al aankomen… zou u deze eervolle laatste opdracht op u willen nemen. Ik keek de voormalige gezagvoerder even besluiteloos aan en besloot hem toen te helpen. Ik knikte hem geluidloos toe en vroeg hem, maar hoe moet ik aan springstof komen om dit nog steeds enorme gevaarte op te blazen?
Heel eenvoudig antwoordde hij glimlachend, hier achter mij in die kast vind je de nodige springstof, dat is nog in prima staat. Tijdens mijn laatste reis heb ik dat verstopt, laten we zeggen uit een soort voorzorg.,
Deze springstof moet je over vier plaatsen verspreiden welke ik je zal aanwijzen. Daarna maak je de ontsteking nauwkeurig in orde, ook daar zal ik je bij helpen door je stap voor stap te vertellen wat je moet doen, dan stel je de tijd in en maak je dat je weg komt.
Ik knikte geluidloos en ging aan het werk, geholpen door mijn tijdelijke vriend van gene zijde. Het ging snel en na een half uur was alles gemonteerd. Ik keek hem afwachtend aan… hij zei bedankt mijn vriend, ga nu en spreek met niemand over wat je hier hebt meegemaakt. In de eerste plaats zal geen levende ziel je verhaal geloven en in de tweede plaats kan je er dan ook geen last mee krijgen, dus nogmaals mondje dicht en bedankt.. vaarwel.
Op dat zelfde moment was hij verdwenen in het niets en stelde ik de tijd klok in op de afgesproken tien minuten en maakte ik dat ik weg kwam. Ik rende zo hard mogelijk terug naar mijn wagen, er nu niet meer oplettend of iemand die eventueel op wacht zou staan me zou zien.
Hijgend klom ik in mijn cabine en ging voorover gebogen met mijn ogen dicht en met mijn hoofd op het stuur de klap afwachten die nu elke seconde kon komen.
Inderdaad kwamen er vier harde klappen en daarna werd mijn cabine deur open getrokken door een collega die ná mij op het ferry terrein was aangekomen. Ik keek in zijn vrolijke gezicht en hij riep, wakker worden slaapkop dan gaan we een pilsje halen in de stad. Ik schudde me verbaast wakker en ontdekte dat ik nog steeds aangekoppeld in de ferry haven stond en op mijn stuur had liggen slapen. In de verte hoorde ik vier doffe explosies ik keek hem vragend aan en mijn collega zei…. Wat nou? Je gaat mij toch niet vertellen dat je bang bent voor onweer hè,
Ik knikte van nee, maar ik nam mij toch voor, de volgende keer wanneer ik weer over de A3 Portsmouth binnen zou komen rijden, mijn ogen goed de kost te geven.  Ik ben nú al bang voor wat ik dán te zien krijg.



                                                                   



Thee drinken.

Ik ben zojuist uitgenodigd om een kopje zelf gezette thee te komen drinken bij mijn collega..
Erg gezellig hoor maar ik zeg tegen hem, er zit wel een vreemd smaakje aan je thee, is dit weer zo'n modern soort thee?
Ik heb ook zoiets maar dan met citroen smaak, deze smaak ken ik nog niet.
Nee dat klopt wel antwoordde hij grinnikend.
Hoe zo vroeg ik hem nieuwsgierig ?
Nou zei hij, ik had geen water meer dus heb ik het theezakje maar in het water gehangen waar ik de eieren in had gekookt, zodoende.
Oh! Maar waren die eieren wel schoon zei ik toen weer.
Dat weet ik eigenlijk niet zo goed antwoordde hij nadenkend, hoezo?
Nou als het van die scharrel dingen waren wil er nog wel eens wat kippenstront opzitten.
Verrek riep hij nu je het zegt, daar heb ik nooit bij stilgestaan maar proef je dat dan?
Ik weet niet hoe dat smaakt en de thee is niet echt slecht, dus laten we er nog maar een schep suiker extra bij gooien en er niet meer over lullen.
Proost maatje op je gezondheid


Het schoenlappers wijsje.
Koppie thee drinken.
(Truckers logica!)
De Duivel greep mis !!
Ontmoeting met het verleden.
Interieur van de duikboot
De parkeerplaats
  • Het schoenlappers wijsje.
  • De Duivel greep mis.
  • Ontmoeting met het verleden.
  • Thee drinken (toegift)
terug naarverhalen index
Terug naarverhalen index
door naar verhalen van Juli