Portsmouth Juli 1988.
Ontmoeting met het verleden
Vrijdag avond 1900 uur Portsmouth (GB)
Ik stond geladen in de ferry haven in Portsmouth en had zojuist van de scheeps agent gehoord dat ik geen schijn van kans had deze avond nog met de ferry mee te kunnen naar Cherbourg. Dat betekende wachten tot de andere dag, dan vertrok de volgende ferry om 12 uur.
Ik had dus de keus, of na het eten de avond door te brengen in de plaatselijke pub of in mijn truck wat te lezen of te schrijven.
Eerlijk gezegd had ik daar allebei geen zin in en lag ik op mijn stuur leunend wat naar buiten te kijken en me te bedenken wat ik nog meer zou kunnen doen om de verloren tijd nuttig in te vullen.
Ik ging in mijn gedachten na wat ik zoal wist over deze omgeving. In het verleden was ik al verschillende keren de stad in geweest en dat was de eerste keer wel interessant geweest, maar na een keer of wat heb je het daar dan ook wel weer gezien, tenzij je een onverbeterlijke kroegloper bent. In zo'n geval voel je je overal thuis waar een kroeg in de buurt is.
Ik hield er echter van om even verder te kijken dan mijn neus lang was, maar dat kon wel eens verkeerd uitpakken en dat was precies wat er deze keer ook gebeurde. Het begon zo:
-De schepen sloperij-
Wanneer je van de A3 af komt van Londen af gerekend, krijg je voor Portsmouth nog een klein stukje 'motor way' ongeveer twee mijl lang.
Wanneer je dan vlak voor de stadsgrens naar links keek, dan zag je daar aan de overkant van het water een oude oorlog schepen sloperij.
Ik was daar verschillende keren langs gereden en elke keer weer dacht ik bij me zelf, wanneer ik een keer tijd over heb en ik sta in de buurt dan ga ik daar 's avonds eens kijken of ik die schepen stiekem van binnen kan gaan bekijken.
Het zal wel een tik van mij zijn maar ik word naar dat soort schepen toe getrokken als een vrouw naar de tax free shop.
Maar laat ik bij de les blijven, ik herinnerde me ineens deze werf en even later was ik al bezig mijn trailer af te koppelen, want deze mocht het douane terrein niet meer af. Met de enkele trekker mocht dat natuurlijk wel en zo reed ik even later het douane terrein af op weg naar de sloperij.
Ik realiseerde me wel degelijk dat wat ik van plan was niet helemaal legaal was, maar ik zag het niet als een misdaad dus had ik er ook geen schuldig gevoel over. Tenslotte waren het oude oorlog schepen dus van spionage was geen sprake. Stel je voor dat ik daar op die werf gesnapt zou worden door èèn of andere bewaker, dan zou ik hooguit een schrobbering krijgen omdat ik mij op privé terrein bevond maar daar zat ik niet mee. Mijn nieuwsgierigheid was sterker dan dat kleine eventuele ongerief.
Het was van af de ferry haven ongeveer tien minuten rijden en na even zoeken vond ik een plek dicht naast de muur die de werf van de buitenwereld scheidde. Door de truck vlak langs de muur te plaatsen kon ik via het dak van de truck op de muur klimmen. Direct achter de muur bevond zich een roestige constructie die ik als opstap kon gebruiken en even later stond ik in gebukte houding op de werf. Tot zo ver ging alles goed en ik vroeg me af of er überhaupt wel bewaking was op de werf, maar ik hield er in ieder geval rekening mee.
Na een gebukte sluipgang kwam ik terecht aan de water kant waar de voor mij zo geheimzinnige schepen lagen. Het waren verschillende oude mijnen vegers dat kon je zien aan hun houten huid, maar wat mij het meest intrigeerde dat waren de twee duikboten. Deze lagen met hun onderste helft in het slik weggezakt een beetje scheef met de boeg schuin omhoog alsof ze een laatste poging forceerden om zich uit de moordende greep van de modder te bevrijden.
Het was een macaber gezicht hoe ze zich aftekenden tegen de roodroze avond hemel en een laatste gevecht aangingen tegen de vergankelijkheid. De eens zo trotse schepen was het niet gegund om strijdend ten onder te gaan maar zouden hier op een achteraf werfje creperen.
Ze moesten hier al minstens een halve eeuw liggen en ik vermoedde dat de slopers hadden gedacht, het slopen van deze schepen gaat ons meer kosten dan wat ze ons kunnen op leveren, dus we laten ze daar maar weg roesten dat is verre weg het goedkoopste, uiteraard nadat ze het waardevolle materiaal er uit gesloopt hadden.
Eens had een trotse bevelvoerder voor het eerst zijn bevelen gegeven vanaf de indrukwekkende brug en hadden de even trotse bemannings leden hier aan boord gelachen en gehuild. De wanden van dit schip had meer angst zweet geabsorbeerd dan een spons aan vocht kon bevatten.
En ook aan de buiten kant kon je zien dat het schip de nodige littekens had opgelopen in zijn ongetwijfeld turbolente bestaan. Dat was na zoveel jaren van verval nog steeds duidelijk zichtbaar.
Dit alles spookte door mijn hoofd toen ik vanaf de wal kant naar de onderzeeërs stond te kijken ,
Ik besloot de stap te wagen en begaf me op weg naar de gammele loopplank die de wal met het schip verbond. Deze veerde aardig door en maakte wat protesterende geluiden toen ik me met mijn volle gewicht in het midden er van bevond. Ik keek geschrokken om me heen, maar zag nergens enige beweging en begaf me tóch wel met een kloppend hart, verder met mijn onderzoek.
Een ondefinieerbaar gevoel maakte zich van mij meester vanaf het moment dat ik een voet aan boord had gezet. Ik keek nogmaals schichtig om me heen maar ik zag niemand. Ik probeerde het onaangename gevoel te onderdrukken en liep over het voordek in de richting van de omhoog rijzende brug in het midden van de boot. Ik was door deze toren zo gefascineerd dat ik niet oplette waar ik liep en prompt struikelde over een stel uitstekende bouten die uit het dek omhoog staken. Dit waren zonder twijfel de bevestiging bouten van het voormalige boord kanon wist ik haast zeker, onderwijl ik me maar net staande kon houden door twee grote stappen naar voren te doen.
Geschrokken keek ik opnieuw om me heen en ik begon hoe langer hoe meer te geloven dat ik alleen op de werf was.
Alles zag er rustig uit en ik zette, weliswaar met een zere grote teen mijn speurtocht voort.
Aan de achter kant van de toren kon je met hand en voetsteunen omhoog de toren in klimmen. Vanaf die plaats kon je door iemand die op wacht stond van af de werf niet gezien worden, maar vanaf de A 30 zou je mij eventueel wel kunnen zien. Het was inmiddels een uur of acht geworden en op de motor way al aardig rustig. Even later stond ik boven op de commando toren en opnieuw bekroop mij dat onaangename gevoel. Het was net of ik mij op een heilige plaats bevond waar alleen een hogepriester mocht komen of zoiets. Ik weet dat het gek klinkt maar ja zo voelde het aan. Ik kreeg ook de onbedwingbare neiging om hardop te gaan praten en deed dat dan ook onmiddellijk.
Sloof je niet zo uit man zei ik hard op, er is hier toch niets aan de hand. Je staat hier op een stuk oud roest je nieuwsgierigheid te bevredigen, dus laat je fantasie nu even met rust en ga rustig door met waar je mee bezig bent. Deze nuchtere vaststelling bracht mij weer terug in de werkelijkheid en ik ging moedig verder met mijn onderzoek.
De grote deksel die toegang verschafte tot het inwendige van de duikboot stond wagenwijd open en je kon vandaar uit in een gapend donker gat in de diepte kijken. Heel even was ik daar verbaasd over, maar toen realiseerde ik me dat een duikboot geen patrijspoorten bezat, wat nu? Ik had in mijn truck wel een staaflantaarn liggen maar ik had nu ik zo ver was gekomen geen zin, om weer helemaal terug te gaan om deze te halen.
Laat ik eerst maar even afdalen dan kan ik beneden zien of het echt zo donker is, wellicht is het zo dat wanneer mijn ogen zich hebben aangepast het wel meevalt met de duisternis .
Ik klom achterwaarts de toren in langs een metalen trap. Ik had wel eens in films gezien hoe de bemanningsleden langs zo'n trap heel snel naar beneden waren gegleden wanneer ze snel moesten duiken en ik realiseerde me dat alles in het leven er vaak veel eenvoudiger uit zag dan dat het in werkelijkheid was. De toren was aan de binnen kant voor mijn gevoel veel hoger dan dat hij er van buiten uitzag en dat is ook iets wat je je als leek niet realiseerde. Ik passeerde onder weg naar het eerste dek opnieuw een luik en wanneer je van boven in één keer naar beneden klom was dat een behoorlijke hoogte.
Beneden gekomen viel het mij meteen op dat er verderop in het schip licht naar binnen scheen vanaf de buitenkant. Nieuwsgierig liep ik er heen en zag dat er een groot gat was uitgesneden. Hoogst waarschijnlijk om de wat grotere waardevolle onderdelen er uit te slopen. Het schip was vóór zijn definitieve einde nog even van zijn vitale delen beroofd.
Men zegt wel eens dat een schip een ziel heeft, maar daar wordt na jarenlange trouwe dienst door de slopers geen rekening mee gehouden, maar toch
.
Dit zag er in ieder geval van binnen nog droeviger uit dan aan de buitenkant
Maar wat had ik dan verwacht en ik begon weer hard op te praten en zei;
Ja jongen we leven in een keiharde wereld en dat jij er aan mee geholpen hebt dat we nu in vrede kunnen leven, daar wordt nu al lang geen rekening meer mee gehouden. Je bent nu niets meer dan een stuk oud roest, slecht voor het milieu en ze laten je net zo lang liggen totdat je compleet bent opgelost door je vroegere partner, de zee.
Ik ging op de water kering zitten van een deur van het water dichte
tussenschot. Heel in de verte hoorde ik een wagen langs komen over de high way.
Ik keek nadenkend met mijn hoofd in de handen naar de ijzeren vloer die hier binnen wonder boven wonder nog klokgaaf was. Misschien blijft deze ruimte met vloed wel droog en gelijk tijdig dacht ik, ja
. dat moet wel anders was alles hier toch stijf verroest geweest. Ik stond op en ging verder met mijn zoektocht.
Hier onder moet volgens mij nog minstens een verdieping zijn dacht ik, laat ik daar ook eens een kijkje gaan nemen. Ik zocht naar een luik en vond er één vlak onder de toren. Het stond open en ik klauterde voorzichtig naar beneden. Hier was het behoorlijk donker. Direct onder het luik viel het echter wel mee. Het rook hier sterk naar zeewier en er zaten allerlei soorten kleine zeediertjes tegen de wand en onder mijn schoenen hoorde ik ze knarsen. Dat deel van de wand waar ze zaten, daar kon je precies aan zien tot hoe hoog het water hier stond met vloed.
Ik voelde ineens met zekerheid dat ik niet meer alleen aan boord was en dat zelfde onaangename gevoel in mijn buik kwam nu wel heel sterk opzetten. Ik wilde zo snel mogelijk van dit schip af, er klopte iets niet en ik wist absoluut niet wat het was,
Ik wist in ieder geval wel dat ik moest maken dat ik weg kwam.
Ik draaide mij om naar de stalen ladder om zo snel mogelijk omhoog te klimmen en
daar stond hij!!!!
Mijn hart sloeg een keer over van schrik
Aan de ander kant van de ladder stond een man. Zijn huid was als grijs crêpe papier en op de plaats van zijn ogen zaten twee gitzwarte bollen, zijn mond was één dunne streep.
Hij droeg een onberispelijk uniform met sterren en strepen. Om zijn nek droeg hij een zilveren ketting met daaraan een chromen fluit. Hij keek mij recht in mijn gezicht en vroeg, wie heeft u toestemming gegeven aan boord te komen.
Ik moest me aan de stalen ladder vast grijpen om niet tegen de vloer te klappen. Mijn verstand weigerde om wat mijn ogen zagen te accepteren en daarom kon ik geen woord uitbrengen.
Het duurde nog ongeveer een volle minuut voordat ik weer in staat was een geluid voort te brengen. Ik keek de verschijning nog eens goed aan en stotterde toen
wie bent u?.
Ik geloof niet dat ik tegenover u een verklaring hoef af te leggen aangaande mijn aanwezigheid hier aan boord.
Maar ik zal ondanks dat toch maar even vertellen, dat u hier tegenover de gezagvoerder staat van deze zeebodem!.
Opnieuw weigerde mijn stem mij te gehoorzamen en kon ik de verschijning alleen maar hulpeloos aanstaren. Ik voelde mijn hart daarbij zo te keer gaan dat ik elk moment verwachtte dat hij mij daar vermanend over zou aanspreken.
De verschijning liep nu dwars door de trap op mij toe. Onwillekeurig deed ik een stap achteruit en hield mijn armen beschermend opgeheven.
Wees voor mij maar niet bang sprak de verschijning geruststellend. Ik kom dan wel van de andere zijde, maar van mij heeft u niets te vrezen. Ons contact is louter fysiek, u kunt mij horen en zien maar verder is er geen contact mogelijk.
Ik keek hem nog steeds ontzet aan en vroeg hem nu met schorre onzekere stem,
wat doet u hier aan deze kant als u beweert van de andere kant te zijn?
De man keek me droevig aan en antwoordde, ik waak hier bij de stervende ziel van dit schip. De levenden hadden het nooit op zo'n afschuwelijke manier mogen laten lijden na al de jaren van trouwe dienst.
De levenden hadden haar op een eervolle manier moeten ontmantelen zonder haar in haar trots te krenken, dat heeft dit schip meer dan verdiend.
Ik hoorde dit alles met verbijstering aan en waagde hem te vragen, dus een schip heeft echt een ziel?
Jawel vriend alle dingen die met veel liefde voor het vak worden gemaakt krijgen van hun makers een deel van hun ziel mee en de ziel van dit schip heeft zoveel moeten doorstaan in haar woelige bestaan, dat het godslasterlijk is om nu zo minderwaardig met haar om te springen.
Vandaar dat ik haar nu bij sta in haar laatste strijd tegen de elementen, het water de wind en vooral het zout. Deze elementen zorgen er voor dat ze langzaam op lost. Een tergend lang sterf proces welke plaats vindt nadat ze eerst nog even de vitale delen uit haar binnenste hebben geplunderd. Ik dacht dat dat reden genoeg was als oud gezagvoerder om naar haar terug te keren van gene zijde, om haar bij het bijvoorbaat verloren gevecht bij te staan.
Het begon mij langzaam duidelijk te worden waar ik hier getuigen van was en al kwam mij alles onwerkelijk voor, toch leek alles op een bepaalde manier logisch.
Wat zou er moeten gebeuren om hier een eind aan te maken en is het überhaupt mogelijk dit lijden vroegtijdig te beëindigen vroeg ik de man?
Dat ligt helaas niet in mijn macht antwoordde de man droevig. Ik kan in de staat waarin ik nu verkeer alleen maar hopen dat ik ooit iemand zal ontmoeten die bereid is mijn laatste orders op te volgen.
Hij keek me nu even zwijgend aan en vervolgde met: het zit namelijk zo, de ziel van het schip krijgt pas dán zijn rust, wanneer het technisch gesproken geen schip meer genoemd kan worden, met andere woorden het mag niet meer als zo danig te herkennen zijn en dat kan in de situatie waarin het nu verkeert alleen nog maar door het restant er van op te blazen.
En wel zo grondig dat er daarna geen schip meer uit op te maken valt!!
Wanneer ik iemand vind die daartoe bereid is, zal niet alleen de ziel van het schip eindelijk rust vinden, maar ik zal dan ook eindelijk van mijn droevige taak verlost zijn.
U voelt nu mijn vraag al aankomen
zou u deze eervolle laatste opdracht op u willen nemen. Ik keek de voormalige gezagvoerder even besluiteloos aan en besloot hem toen te helpen. Ik knikte hem geluidloos toe en vroeg hem, maar hoe moet ik aan springstof komen om dit nog steeds enorme gevaarte op te blazen?
Heel eenvoudig antwoordde hij glimlachend, hier achter mij in die kast vind je de nodige springstof, dat is nog in prima staat. Tijdens mijn laatste reis heb ik dat verstopt, laten we zeggen uit een soort voorzorg.,
Deze springstof moet je over vier plaatsen verspreiden welke ik je zal aanwijzen. Daarna maak je de ontsteking nauwkeurig in orde, ook daar zal ik je bij helpen door je stap voor stap te vertellen wat je moet doen, dan stel je de tijd in en maak je dat je weg komt.
Ik knikte geluidloos en ging aan het werk, geholpen door mijn tijdelijke vriend van gene zijde. Het ging snel en na een half uur was alles gemonteerd. Ik keek hem afwachtend aan
hij zei bedankt mijn vriend, ga nu en spreek met niemand over wat je hier hebt meegemaakt. In de eerste plaats zal geen levende ziel je verhaal geloven en in de tweede plaats kan je er dan ook geen last mee krijgen, dus nogmaals mondje dicht en bedankt.. vaarwel.
Op dat zelfde moment was hij verdwenen in het niets en stelde ik de tijd klok in op de afgesproken tien minuten en maakte ik dat ik weg kwam. Ik rende zo hard mogelijk terug naar mijn wagen, er nu niet meer oplettend of iemand die eventueel op wacht zou staan me zou zien.
Hijgend klom ik in mijn cabine en ging voorover gebogen met mijn ogen dicht en met mijn hoofd op het stuur de klap afwachten die nu elke seconde kon komen.
Inderdaad kwamen er vier harde klappen en daarna werd mijn cabine deur open getrokken door een collega die ná mij op het ferry terrein was aangekomen. Ik keek in zijn vrolijke gezicht en hij riep, wakker worden slaapkop dan gaan we een pilsje halen in de stad. Ik schudde me verbaast wakker en ontdekte dat ik nog steeds aangekoppeld in de ferry haven stond en op mijn stuur had liggen slapen. In de verte hoorde ik vier doffe explosies ik keek hem vragend aan en mijn collega zei
. Wat nou? Je gaat mij toch niet vertellen dat je bang bent voor onweer hè,
Ik knikte van nee, maar ik nam mij toch voor, de volgende keer wanneer ik weer over de A3 Portsmouth binnen zou komen rijden, mijn ogen goed de kost te geven. Ik ben nú al bang voor wat ik dán te zien krijg.